1.Vaststellen agenda
2.Raming Eerste Kamer 2027
Raming Eerste Kamer 2027
Beslispunt:
-
-hoe wenst de commissie de voorgestelde Raming 2027 te behandelen?
De commissie heeft de keuze uit de volgende behandelopties:
-
1.een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een verslag;
-
2.te volstaan met een blanco verslag (geen schriftelijke voorbereiding in commissieverband, en het wetsvoorstel ter besluitvorming aan de plenaire vergadering voorleggen als hamerstuk of door middel van stemming);
-
3.te volstaan met een verslag onder voorbehoud van plenaire behandeling (geen schriftelijke behandeling in de commissie, wel een plenair debat).
Raming 2027
Op de Raming van de Eerste Kamer is artikel 14 van het Reglement van Orde van toepassing. Dat luidt:
-
1.Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters stelt een raming op van de in het volgende jaar benodigde uitgaven.
-
2.Zij vertrouwt het voorbereidend onderzoek toe aan een daartoe door de Kamer aangewezen vaste of tijdelijke commissie.
-
3.De raming wordt, nadat zij door de Kamer is vastgesteld, vóór 1 juli toegezonden aan de minister die verantwoordelijk is voor het hoofdstuk van de rijksbegroting waarbij de posten voor de Staten-Generaal worden vastgesteld.
De commissie kan desgewenst verslag uitbrengen over de (concept)raming 2027, maar ook - indien er geen vragen leven - de (concept)raming 2027 aanmelden voor plenaire afhandeling als hamerstuk.
Mutaties voortvloeiend uit Voorjaarsnota 2026
In de hier geagendeerde (concept)raming 2027 van de Eerste Kamer wordt ook verwezen naar mutaties in het kader van de Voorjaarsnota 2026. Deze zijn verwerkt in wetsvoorstel 36.915 IIA: Wijziging van de begrotingsstaat van de Staten-Generaal (IIA) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) dat op 2 april jl. is ingediend bij de Tweede Kamer en waarvan de behandeling naar verwachting voor de zomer 2025 in uw commissie aan de orde zal zijn.
Procedure
3.36558
Wet digitaal vergaderen decentrale overheden
Beslispunt:
-
-hoe wenst de commissie het wetsvoorstel te behandelen?
De commissie heeft de keuze uit de volgende behandelopties:
-
1.een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een verslag;
-
2.te volstaan met een blanco verslag (geen schriftelijke voorbereiding in commissieverband, en het wetsvoorstel ter besluitvorming aan de plenaire vergadering voorleggen als hamerstuk of door middel van stemming);
-
3.te volstaan met een verslag onder voorbehoud van plenaire behandeling (geen schriftelijke behandeling in de commissie, wel een plenair debat).
internetconsultatie en uitvoeringstoetsen
Conform de Kamernotitie Uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doenvermogen burgers treft u hieronder een overzicht met link naar de internetconsultatie en uitvoeringstoetsen:
-
-Geen uitvoeringstoets ontvangen alleen adviezen, in parargraaf 5 (p. 25) van de memorie van toelichting komt uitvoering aan de orde.
Procedure
4.36263, Q
Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK en de minister van Defensie over de invoeringstoets Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen; Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen
Beslispunt
Welke leden leveren heden inbreng voor nader schriftelijk overleg?
Toelichting
Op 1 juli 2024 is de Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen in werking getreden. In de brief van 19 december 2025 informeerden de ministers van BZK en van Defensie de Kamer over de resultaten van de door voornoemde diensten verrichte invoeringstoets van de Tijdelijke wet. Uw vragen in het kader van schriftelijk overleg, die op 3 februari 2026 zijn verzonden, werden op 2 maart 2026 door de betrokken bewindslieden beantwoord (36.263, Q). Op 14 april jl. besloot uw commissie het leveren van inbreng aan te houden en vandaag (21 april 2026) gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg.
Inbreng voor nader schriftelijk overleg
5.E260007 - COM(2026)12
Commissiemededeling - Unie van gelijkheid: strategie tegen racisme 2026-2030
Beslispunt
Welke leden wensen heden inbreng te leveren voor schriftelijk overleg met de regering?
Toelichting
Door de Kamer is deze Mededeling, op voorstel van uw commissie (op voordracht van de leden van de fracties van BBB, D66, en de PvdD), uit het Europees Werkprogramma 2025 van de Europese Commissie als prioritair aangemerkt. Op 27 januari jl. besloot uw commissie het BNC-fiche af te wachten alvorens te besluiten om de Mededeling in behandeling te nemen. Het BNC-fiche is op 6 maart 2026 door de Kamer ontvangen. De commissie besloot op 14 april jl. om het leveren van inbreng aan te houden en vandaag (21 april 2026) gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor schriftelijk overleg met de regering.
Het EU-actieplan tegen racisme 2026-2030 is een direct vervolg op dat van 2020-2025, dat eerder in behandeling is geweest bij uw commissie (E200015). Met deze strategie beoogt de Europese Commissie om racisme en discriminatie op een holistische wijze te bestrijden. Dit actieplan biedt volgens de Commissie concrete maatregelen om te implementeren op Europees, nationaal en lokaal niveau. Daarnaast kondigt de Commissie in het actieplan verschillende initiatieven aan om discriminatie en alle vormen van racisme in kaart te brengen en te bestrijden, waaronder het publiceren van een Eurobarometer over discriminatie in 2027 en een gezamenlijk project opzetten met UNESCO om educatie over discriminatiebestrijding te versterken.
Inbreng schriftelijk overleg
6.CLVI, AE
Voorstel digitaal quorum op niet-reguliere vergaderdagen
Beslispunt
Wenst de commissie de Kamer voor te stellen om voorlichting te vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State over de vraag "of het vergaderen op een andere dag dan een dinsdag kan worden aangemerkt als een 'bijzondere omstandigheid'", zoals genoemd in de eerdere Voorlichting van de Raad van State i.v.m. een Tijdelijke regeling digitaal quorum van de Eerste Kamer tijdens de COVID-pandemie (CXXXIX, E herdruk)?
Toelichting
In de vergadering van 31 maart jl. is door enkele leden inbreng geleverd voor het tweede verslag. Het lid Nicolaï (PvdD) verzocht tevens om in de vergadering van 14 april jl. te agenderen of de commissie de Kamer wenst voor te stellen om voorlichting te vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State over de vraag "of het vergaderen op een andere dag dan een dinsdag kan worden aangemerkt als een 'bijzondere omstandigheid'", zoals genoemd in de eerdere Voorlichting van de Raad van State i.v.m. een Tijdelijke regeling digitaal quorum van de Eerste Kamer tijdens de COVID-pandemie (CXXXIX, E herdruk). Het agendapunt is op 14 april jl. aangehouden tot vandaag (21 april 2026).
Achtergrond
Motie-Vos c.s. uitgevoerd
Op 16 mei 2023 heeft de vorige Eerste Kamer de motie-Vos c.s. aanvaard (Kamerstukken I 2022/23, CLVI, M), waarin twee verzoeken aan de toenmalige Huishoudelijke Commissie (thans: College van Voorzitter en Ondervoorzitters) zijn gedaan, te weten:
-
-om een voorstel te doen om een digitaal quorum mogelijk te maken voor vergaderingen van de Eerste Kamer die bij uitzondering op een niet-reguliere vergaderdag worden gehouden en
-
-om bij het Presidium van de Tweede Kamer na te gaan of dit eveneens van mening is dat een dergelijk digitaal quorum past binnen de interpretatie van artikel 67, eerste lid van de Grondwet.
Wat het tweede punt betreft heeft schriftelijk overleg plaatsgevonden tussen het College en het Presidium van de Tweede Kamer. Het Presidium heeft bij brief van 9 oktober 2024 onder meer het volgende geschreven (Kamerstukken I 2023/24, CLVI, AB):
"De Raad van State heeft in haar voorlichting gesteld dat het bij een dynamische interpretatie van de Grondwet van wezenlijk belang is dat er sprake is van een hoge mate van consensus tussen de betrokken staatsorganen: Tweede Kamer, Eerste Kamer en regering. Het Presidium stelt vast dat de Tweede Kamer zich over een voorstel zoals bedoeld in de motie-Vos c.s., waarbij een digitaal quorum wordt voorgesteld voor niet-reguliere vergaderdagen, niet heeft uitgesproken. Het is aan de Tweede Kamer zelf om desgewenst een oordeel te geven over de grondwettigheid van voorstellen als deze. Het Presidium kan de Kamer hierin niet vertegenwoordigen."
Het Presidium heeft op 11 september 2025 wel een voorstel aan de Tweede Kamer voorgelegd voor het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitaal intekenen en digitaal vergaderen en stemmen (Kamerstukken II 2024/25, 36 808, nr. 2.). Dit voorstel ziet alleen op ernstige crisissituaties (pandemie, natuurramp, kernramp, aanslag). Behandeling van het voorstel laat nog op zich wachten.
Wat het eerste punt betreft heeft het College in zijn vergadering van 25 november jl. besloten een voorstel tot vaststelling van een Regeling digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderdagen aan de Kamer voor te leggen. De regeling is daarop dezelfde dag aan de Kamer voorgesteld. In uw commissievergadering van 9 december 2025 hebt u besloten de motie-Vos c.s. als uitgevoerd te beschouwen.
Context
Met een digitaal quorum wordt gedoeld op de mogelijkheid voor leden om van buiten het Kamergebouw digitaal in te tekenen voor een vergadering van de Kamer, waarna zij als 'ter vergadering aanwezig' gelden als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Grondwet. In de bijzondere omstandigheden van de coronacrisis, toen grote samenkomsten onwenselijk waren en reizen werd afgeraden, heeft de Eerste Kamer gedurende twee perioden gewerkt met een digitaal quorum. Dit digitale quorum was uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld. De Kamer had hierover ook Voorlichting gevraagd aan de Raad van State. De Tijdelijke regeling digitaal quorum is per 1 april 2022 komen te vervallen.
In haar verslag van 14 maart 2023 (Kamerstukken I 2022/23, CLVI, A) meldde de Tijdelijke Commissie Actualisering Reglement van Orde (CARO) dat binnen de commissie de meningen verschilden of een digitaal quorum buiten de bijzondere omstandigheden zoals die ten tijde van de coronacrisis golden mogelijk en wenselijk was.
De CARO volstond in haar voorstel voor een geactualiseerd Reglement van Orde met een grondslag voor een digitaal quorum in bijzondere omstandigheden zoals die zich ten tijde van de coronacrisis hadden voorgedaan. In dergelijke omstandigheden kan de Kamer bij afzonderlijke regeling bepalen dat leden die aan de vergadering wensen deel te nemen dit ook op digitale wijze kenbaar kunnen maken, zonder aanwezig te zijn in het Kamergebouw (artikel 52, tweede lid, Reglement van Orde). De Kamer heeft het door nota's van wijziging en enkele amendementen aangepaste voorstel van de CARO op 16 mei 2023 aanvaard, waarbij artikel 52, tweede lid, niet gewijzigd werd.
Bij de plenaire behandeling van het voorstel is niettemin het digitaal quorum weer uitgebreid ter sprake gekomen. De Kamer nam een motie-Vos c.s. aan, waarin werd uitgesproken "dat een dergelijk digitaal quorum past binnen de interpretatie van artikel 67, eerste lid van de Grondwet". De toenmalige Huishoudelijke Commissie (thans het College van Voorzitter en Ondervoorzitters) werd verzocht "een voorstel te doen om een digitaal quorum mogelijk te maken voor vergaderdagen van de Eerste Kamer die bij uitzondering op een niet-reguliere vergaderdag worden gehouden".
Bespreking
7.33335, H
Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK over het werkprogramma DINGtiid 2026-2027; Wet gebruik Friese taal
Beslispunt
Zijn de vragen afdoende beantwoord of wenst de commissie in nader schriftelijk overleg te treden?
Toelichting
Op verzoek van de leden Van Langen-Visbeek (BBB) en Van der Goot (OPNL) is de brief van de minister van BZK met het werkprogramma 2026–2027 van DINGtiid, het orgaan voor de Friese taal, geagendeerd (33.335, G). Naar aanleiding daarvan is op 17 februari 2026 een brief aan de toenmalige minister van BZK gestuurd met vragen van de fracties van de BBB en OPNL. De minister van BZK heeft bij brief van 8 april 2026 geantwoord. Op 14 april jl. besloot u vandaag (21 april 2026) gelegenheid te geven voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg.
Inbreng voor nader schriftelijk overleg
8.36600 VII, N
Beslispunt
Zijn de vragen afdoende beantwoord?
Toelichting
Notitie
Bij de begrotingsbehandeling Binnenlandse Zaken (36.600 VII) op 8 april 2025 heeft de minister van BZK in reactie op vragen van de leden Van Rooijen (50PLUS), Dittrich (D66) en Nicolaï (PvdD), de Kamer een notitie toegezegd over de vraag óf het afwegingskader rondom goedkeurende beleidsbesluiten aanpassing behoeft. In de ontvangen notitie (36600 VII, J) stellen de bewindslieden van Financiën dat zij alles afwegende geen aanleiding zien het in december 2023 vastgestelde afwegingskader te herzien. Ook in de toekomst achten zij de inzet van het instrument van goedkeurende beleidsbesluiten soms noodzakelijk gelet op het feit dat de snelheid waarmee dit instrument kan worden ingezet maatschappelijk onaanvaardbare gevolgen kan voorkomen. Zij zeggen toe dat de toepassing van het afwegingskader uiterlijk eind 2028 extern zal worden geëvalueerd. Daarnaast zeggen zij toe in de ministerraad aandacht te blijven vragen voor de zorgen die in de Eerste Kamer zijn geuit over de inzet van dit instrument. De ondertekening van de goedkeurende beleidsbesluiten vooruitlopend op wetgeving zal voortaan plaatsvinden door de verantwoordelijke bewindspersoon, in plaats van de hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken van het ministerie van Financiën.
Instrument goedkeurende beleidsbesluiten
Uw commissie is reeds in schriftelijk overleg met de minister van BZK over het instrument goedkeurende beleidsbesluiten. Op 10 juni 2025 is een brief met vragen hierover van de leden van de BBB-fractie, met aansluiting van de leden van de fractie van 50PLUS, en de leden van de fracties van de PvdD en 50PLUS gezamenlijk aan de minister van BZK gestuurd. Deze heeft bij brief van 11 november 2025 geantwoord (36600 VII, K). Op 27 januari 2026 is een brief met nadere vragen verzonden, die de minister van BZK, mede namens de staatssecretaris van Financiën op 15 april 2026 heeft beantwoord (36600 VII, N).
Bespreking verslag van een schriftelijk overleg
9.WODC-onderzoek naar het demonstratierecht
Toezegging Resultaten van het WODC-onderzoek naar het demonstratierecht delen met de Eerste Kamer (36.600 VII)
Beslispunt
Wenst uw commissie een datum te bepalen voor schriftelijk overleg met de regering over het WODC-rapport inzake demonstratierecht, of wenst u de kabinetsreactie op het rapport af te wachten (zomer 2026)?
Toelichting
Tijdens de plenaire behandeling van de Begrotingsstaten Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025 (36600 VII) op 8 april 2025 heeft de minister van BZK de Kamer toegezegd, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Hattem (PVV), de resultaten van het WODC-onderzoek naar het verbeteren van het handelingsperspectief van burgemeesters en ook het bestendigen van het wettelijk kader op het demonstratierecht te delen met de Eerste Kamer.
Op 12 januari 2026 hebben de ministers van BZK en J&V de Kamer het rapport van het WODC-onderzoek getiteld Het recht om te demonstreren in de democratische rechtsstaat aangeboden. De toezegging was daarmee voldaan.
Op 27 januari jl. heeft uw commissie besloten om na het gesprek met een afvaardiging van het WODC over zijn rapport inzake het demonstratierecht, gelegenheid te bieden voor schriftelijk overleg met de regering. Het gesprek met de delegatie van het WODC heeft plaatsgevonden op 3 maart jl. en is hier terug te kijken.
Vandaag kan uw commissie een datum vaststellen voor het leveren van inbreng voor schriftelijk overleg met de regering, maar zij kan ook besluiten eerst de kabinetsreactie af te wachten.
Bespreking datum voor inbreng voor verslag
10.Mededelingen en informatie
regeringscommissaris hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe
Het kabinet stelt Henk Nijboer aan als regeringscommissaris voor de hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe. Nijboer gaat deze rol per direct vervullen.
