Dinsdag 14 april 2026, commissie Binnenlandse Zaken (BIZA)




Agenda

2.36643 (R2202)

Ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart

Beslispunt

Welke leden leveren heden inbreng voor het tweede verslag?

Toelichting

Op 13 maart 2026 heeft uw commissie de nota naar aanleiding van het verslag van Rijkswetsvoorstel 36.643 (R2202) ontvangen (36.643, C). Op 31 maart 2026 besloot uw commissie om vandaag (14 april 2026) gelegeheid te bieden voor het leveren van inbreng voor het tweede verslag.

Het doel van het Rijkswetsvoorstel 36.643 (R2202) is om alle bepalingen in de Paspoortwet over de (uitgifte van de) Nederlandse identiteitskaart (hierna: NIK) en de vervangende NIK te schrappen en deze onder te brengen in een afzonderlijke wet: de Wet op de Nederlandse identiteitskaart (36.644). Deze wet kan, na eventuele aanvaarding door de Eerste Kamer, slechts in werking treden nadat het voorstel van Rijkswet tot wijziging van de Paspoortwet in verband met de ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart (36.643 (R2202)) door beide Kamers is aanvaard. Gelet op deze samenhang heeft de commissie besloten te streven naar gelijktijdige plenaire afhandeling van beide wetsvoorstellen. Op 10 februari 2026 heeft de commissie besloten de nadere procedure van wetsvoorstel 36.644 aan te houden, teneinde beide wetsvoorstellen gelijktijdig plenair te kunnen afhandelen.


Inbreng voor het tweede verslag

3.36800 IIB

Begrotingsstaat overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten van de Gouverneurs en de Kiesraad 2026 (Voorjaarsnota)

Beslispunt

Welke leden leveren heden inbreng voor het verslag?

Toelichting

Uw commissie heeft op 31 maart jl. besloten vandaag (14 april 2026) gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor het verslag.


Inbreng voor het verslag

4.36800 B

Begrotingsstaat gemeentefonds 2026

Beslispunt

Welke leden leveren heden inbreng voor het verslag?

Toelichting

Uw commissie heeft op 31 maart jl. besloten vandaag (14 april 2026) gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor het verslag.


Inbreng voor het verslag

5.36800 C

Begrotingsstaat provinciefonds 2026

Beslispunt

Welke leden leveren heden inbreng voor het verslag?

Toelichting

Uw commissie heeft op 31 maart jl. besloten vandaag (14 april 2026) gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor het verslag.


Inbreng voor het verslag

6.36263, Q

Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK en de minister van Defensie over de invoeringstoets Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen; Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen

Beslispunt

Welke leden leveren heden inbreng voor nader schriftelijk overleg?

Toelichting

Op 1 juli 2024 is de Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen in werking getreden. In de brief van 19 december 2025 informeerden de ministers van BZK en van Defensie de Kamer over de resultaten van de door voornoemde diensten verrichte invoeringstoets van de Tijdelijke wet. Uw vragen in het kader van schriftelijk overleg, die op 3 februari 2026 zijn verzonden, werden op 2 maart 2026 door de betrokken bewindslieden beantwoord (36.263, Q). Op 17 maart jl. besloot uw commissie vandaag (14 april 2026) gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg.


Inbreng voor nader schriftelijk overleg

7.36600 B, U

Verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van Financiën over de uitvoering van de gewijzigde motie-Van der Goot (OPNL) c.s. over corrigeren van te lage inflatieramingen binnen het gemeentefonds; Begrotingsstaat gemeentefonds 2025

Beslispunt

Welke leden leveren heden inbreng voor nader schriftelijk overleg?

Toelichting

Naar aanleiding van de behandeling van de reactie op het toezeggingen- en motierappel (36800VII/36800 IV, A), waarin onderstaande gewijzigde motie-Van der Goot was opgenomen, heeft uw commissie schriftelijk overleg gevoerd met de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het antwoord hierop, van de minister van Financiën, heeft u op 4 maart 2026 ontvangen (36.600 B, U). In de commissievergadering van 17 maart jl. besloot uw commissie vandaag (14 april 2026) gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg.

In deze motie wordt de regering verzocht te onderzoeken hoe de te lage inflatieramingen binnen het gemeentefonds gecorrigeerd kunnen worden, bij voorkeur door middel van nacalculatie, en over de uitkomsten de Kamer voor het aanstaande zomerreces te informeren. (Status op 17 maart jl. herbevestigd: niet uitgevoerd)


Inbreng voor nader schriftelijk overleg

8.E260007 - COM(2026)12

Commissiemededeling - Unie van gelijkheid: strategie tegen racisme 2026-2030

Beslispunt

Welke leden wensen heden inbreng te leveren voor schriftelijk overleg met de regering?

Toelichting

Door de Kamer is deze Mededeling, op voorstel van uw commissie (op voordracht van de leden van de fracties van BBB, D66, en de PvdD), uit het Europees Werkprogramma 2025 van de Europese Commissie als prioritair aangemerkt. Op 27 januari jl. besloot uw commissie het BNC-fiche af te wachten alvorens te besluiten om de Mededeling in behandeling te nemen. Het BNC-fiche is op 6 maart 2026 door de Kamer ontvangen. De commissie besloot op 17 maart jl. om vandaag (14 april 2026) gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor schriftelijk overleg met de regering.

Het EU-actieplan tegen racisme 2026-2030 is een direct vervolg op dat van 2020-2025, dat eerder in behandeling is geweest bij uw commissie (E200015). Met deze strategie beoogt de Europese Commissie om racisme en discriminatie op een holistische wijze te bestrijden. Dit actieplan biedt volgens de Commissie concrete maatregelen om te implementeren op Europees, nationaal en lokaal niveau. Daarnaast kondigt de Commissie in het actieplan verschillende initiatieven aan om discriminatie en alle vormen van racisme in kaart te brengen en te bestrijden, waaronder het publiceren van een Eurobarometer over discriminatie in 2027 en een gezamenlijk project opzetten met UNESCO om educatie over discriminatiebestrijding te versterken.


Inbreng schriftelijk overleg

9.CLVI, AE

Voorstel digitaal quorum op niet-reguliere vergaderdagen

Beslispunt

Wenst de commissie de Kamer voor te stellen om voorlichting te vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State over de vraag "of het vergaderen op een andere dag dan een dinsdag kan worden aangemerkt als een 'bijzondere omstandigheid'", zoals genoemd in de eerdere Voorlichting van de Raad van State i.v.m. een Tijdelijke regeling digitaal quorum van de Eerste Kamer tijdens de COVID-pandemie (CXXXIX, E herdruk)?

Toelichting

In de vergadering van 31 maart jl. is door enkele leden inbreng geleverd voor het tweede verslag. Het lid Nicolaï (PvdD) heeft tevens verzocht om heden te agenderen of de commissie de Kamer wenst voor te stellen om voorlichting te vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State over de vraag "of het vergaderen op een andere dag dan een dinsdag kan worden aangemerkt als een 'bijzondere omstandigheid'", zoals genoemd in de eerdere Voorlichting van de Raad van State i.v.m. een Tijdelijke regeling digitaal quorum van de Eerste Kamer tijdens de COVID-pandemie (CXXXIX, E herdruk).

Achtergrond

Motie-Vos c.s. uitgevoerd

Op 16 mei 2023 heeft de vorige Eerste Kamer de motie-Vos c.s. aanvaard (Kamerstukken I 2022/23, CLVI, M), waarin twee verzoeken aan de toenmalige Huishoudelijke Commissie (thans: College van Voorzitter en Ondervoorzitters) zijn gedaan, te weten:

  • om een voorstel te doen om een digitaal quorum mogelijk te maken voor vergaderingen van de Eerste Kamer die bij uitzondering op een niet-reguliere vergaderdag worden gehouden en
  • om bij het Presidium van de Tweede Kamer na te gaan of dit eveneens van mening is dat een dergelijk digitaal quorum past binnen de interpretatie van artikel 67, eerste lid van de Grondwet.

Wat het tweede punt betreft heeft schriftelijk overleg plaatsgevonden tussen het College en het Presidium van de Tweede Kamer. Het Presidium heeft bij brief van 9 oktober 2024 onder meer het volgende geschreven (Kamerstukken I 2023/24, CLVI, AB):

"De Raad van State heeft in haar voorlichting gesteld dat het bij een dynamische interpretatie van de Grondwet van wezenlijk belang is dat er sprake is van een hoge mate van consensus tussen de betrokken staatsorganen: Tweede Kamer, Eerste Kamer en regering. Het Presidium stelt vast dat de Tweede Kamer zich over een voorstel zoals bedoeld in de motie-Vos c.s., waarbij een digitaal quorum wordt voorgesteld voor niet-reguliere vergaderdagen, niet heeft uitgesproken. Het is aan de Tweede Kamer zelf om desgewenst een oordeel te geven over de grondwettigheid van voorstellen als deze. Het Presidium kan de Kamer hierin niet vertegenwoordigen."

Het Presidium heeft op 11 september 2025 wel een voorstel aan de Tweede Kamer voorgelegd voor het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitaal intekenen en digitaal vergaderen en stemmen (Kamerstukken II 2024/25, 36 808, nr. 2.). Dit voorstel ziet alleen op ernstige crisissituaties (pandemie, natuurramp, kernramp, aanslag). Behandeling van het voorstel laat nog op zich wachten.

Wat het eerste punt betreft heeft het College in zijn vergadering van 25 november jl. besloten een voorstel tot vaststelling van een Regeling digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderdagen aan de Kamer voor te leggen. De regeling is daarop dezelfde dag aan de Kamer voorgesteld. In uw commissievergadering van 9 december 2025 hebt u besloten de motie-Vos c.s. als uitgevoerd te beschouwen.

Context

Met een digitaal quorum wordt gedoeld op de mogelijkheid voor leden om van buiten het Kamergebouw digitaal in te tekenen voor een vergadering van de Kamer, waarna zij als 'ter vergadering aanwezig' gelden als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Grondwet. In de bijzondere omstandigheden van de coronacrisis, toen grote samenkomsten onwenselijk waren en reizen werd afgeraden, heeft de Eerste Kamer gedurende twee perioden gewerkt met een digitaal quorum. Dit digitale quorum was uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld. De Kamer had hierover ook Voorlichting gevraagd aan de Raad van State. De Tijdelijke regeling digitaal quorum is per 1 april 2022 komen te vervallen.

In haar verslag van 14 maart 2023 (Kamerstukken I 2022/23, CLVI, A) meldde de Tijdelijke Commissie Actualisering Reglement van Orde (CARO) dat binnen de commissie de meningen verschilden of een digitaal quorum buiten de bijzondere omstandigheden zoals die ten tijde van de coronacrisis golden mogelijk en wenselijk was.

De CARO volstond in haar voorstel voor een geactualiseerd Reglement van Orde met een grondslag voor een digitaal quorum in bijzondere omstandigheden zoals die zich ten tijde van de coronacrisis hadden voorgedaan. In dergelijke omstandigheden kan de Kamer bij afzonderlijke regeling bepalen dat leden die aan de vergadering wensen deel te nemen dit ook op digitale wijze kenbaar kunnen maken, zonder aanwezig te zijn in het Kamergebouw (artikel 52, tweede lid, Reglement van Orde). De Kamer heeft het door nota's van wijziging en enkele amendementen aangepaste voorstel van de CARO op 16 mei 2023 aanvaard, waarbij artikel 52, tweede lid, niet gewijzigd werd.

Bij de plenaire behandeling van het voorstel is niettemin het digitaal quorum weer uitgebreid ter sprake gekomen. De Kamer nam een motie-Vos c.s. aan, waarin werd uitgesproken "dat een dergelijk digitaal quorum past binnen de interpretatie van artikel 67, eerste lid van de Grondwet". De toenmalige Huishoudelijke Commissie (thans het College van Voorzitter en Ondervoorzitters) werd verzocht "een voorstel te doen om een digitaal quorum mogelijk te maken voor vergaderdagen van de Eerste Kamer die bij uitzondering op een niet-reguliere vergaderdag worden gehouden".


Bespreking

10.36800 B / 36800 C / 36600 B, C en 36800 B, D

Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK over de nahang van het Besluit financiële verhouding 2001 in verband met wijzigingen van de maatstaven van de algemene uitkering van het gemeentefonds; Begrotingsstaat gemeentefonds 2026; Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK over het integraal overzicht gemeenten en provincies en preventief toezicht gemeenten 2026; Begrotingsstaat gemeentefonds 2025

Beslispunt

Welke leden leveren heden inbreng voor nader schriftelijk overleg naar aanleiding van de verslagen schriftelijk overleg van 24 maart 2026 (36.800 B / 36.800 C / 36.600 B, C) en 26 maart 2026 (36.800 B, D)?

Toelichting

  • Naar aanleiding van een vraag van het lid Janssen (SP) tijdens de plenaire behandeling van de begrotingsstaat van het Gemeentefonds op 8 april 2025, heeft de toenmalige minister van BZK bij de provinciale financiële toezichthouders geïnformeerd naar hun verwachtingen ten aanzien van het aantal gemeenten dat in 2026 onder preventief toezicht zal komen te staan. De minister heeft de Kamer hierover bij brief van 11 juni 2025 (36.600 B, M) geïnformeerd.
  • Tijdens de commissievergadering van 8 juli 2025 heeft de commissie de regering verzocht haar na het zomerreces per brief te informeren over eventuele wijzigingen in deze verwachtingen. De minister heeft hieraan invulling gegeven bij brief van 22 september 2025 (36.600 B, P). Naar aanleiding van deze brief heeft de commissie op 7 oktober 2025 besloten het Integraal Overzicht Financiële Gemeenten en Provincies af te wachten, dat op 2 december 2025 is ontvangen (36.800 B/36.800 C, B).
  • Op 10 februari 2026 hebben de leden van de fracties van de BBB en de PVV inbreng geleverd voor schriftelijk overleg. De inbreng is bij brief van 17 februari 2026 aan de minister van BZK toegezonden en had betrekking op de volgende stukken:
    • 1. 
      de brief van 11 juni (36.600 B, M);
    • 2. 
      de brief van 22 september 2025 (36.600 B, P);
    • 3. 
      het Integraal Overzicht Financiële Gemeenten en Provincies (36.800 B/36.800 C, B).
  • De minister van BZK heeft, mede namens de staatssecretaris van Financiën, bij brief van 24 maart 2026 geantwoord (36.800 B / 36.800 C / 36.600 B, C).
  • In de commissievergadering van 31 maart jl. besloot uw commissie vandaag (14 april 2026) gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg naar aanleiding van de verslagen schriftelijk overleg van 24 maart 2026 (36.800 B / 36.800 C / 36.600 B, C) en 26 maart 2026 (36.800 B, D), waarbij de inbreng wordt gecombineerd.

Inbreng voor nader schriftelijk overleg

11.36600 B / 29362, V

Brief van de minister van BZK over het ROB-advies over de herziening van de verdeling van het gemeentefonds per 1 januari 2027; Modernisering van de overheid

Beslispunt

Wenst de commissie in schriftelijk overleg te treden naar aanleiding van de brief van 1 april 2026 (36.600 B / 29.362, V) of wenst zij deze voor kennisgeving aan te nemen?

Toelichting

Bij brief van 1 april 2026 biedt de minister van BZK, mede namens de staatssecretaris van Financiën, het advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) inzake de herziening van de verdeling van het gemeentefonds per 1 januari 2027 aan de Kamer aan (36.600 B / 29.362, V). Eerder is de Kamer bij brieven van 3 februari en 16 februari 2026 geïnformeerd over respectievelijk het eerste en tweede deel van de adviesaanvraag aan de ROB. Naar aanleiding daarvan heeft de ROB nadere vragen gesteld, die op 27 februari 2026 per brief zijn beantwoord.

Het advies van de VNG wordt in de tweede helft van april verwacht en zal eveneens aan de Kamer worden toegezonden. Op basis van beide adviezen zullen de fondsbeheerders een definitief besluit nemen, waarover de Kamer naar verwachting eind april zal worden geïnformeerd.


Bespreking

12.SR-2026-12

Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer: De adviesorganen van de EU

Beslispunt

Wenst de commissie het verslag van de Europese Rekenkamer in behandeling te nemen? Zo ja hoe?

Toelichting

Op 26 maart 2026 publiceerde de Europese Rekenkamer speciaal verslag 12/2026 over de adviesorganen van de EU. Volgens de auditors hebben het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s regelmatig moeite om hun adviezen tijdig uit te brengen om nog invloed te hebben op de EU-besluitvorming. Daarnaast wordt de doorwerking van adviezen in de uiteindelijke wetgeving niet systematisch beoordeeld en ontbreken transparante criteria voor de selectie van deskundigen.

Het is gebruikelijk dat speciale verslagen van de Europese Rekenkamer ter informatie aangeboden worden aan de relevante commissies. Dit speciale verslag was tevens ter informatie aangeboden aan de commissie EUZA. Op verzoek van het lid Van Langen-Visbeek (BBB) staat het speciale verslag heden ter bespreking geagendeerd.


Bespreking

13.36836, A

Brief van de staatssecretaris van BZK over de voorhang van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit Tijdelijke wet Groningen en het Mijnbouwbesluit; Uitvoering maatregelen kabinetsreactie op rapport parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen

Beslispunt

Ziet de commissie aanleiding het voorgehangen ontwerpbesluit verder in behandeling te nemen?

Toelichting

Op 13 februari 2026 heeft de toenmalig staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het ontwerpbesluit 'Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen' aan de Kamer aangeboden.

Op 3 maart 2026 heeft de commissie op verzoek van het lid Van Langen-Visbeek (BBB) besloten dit onderwerp in een komende vergadering te agenderen. In de Tweede Kamer is de voorhang van het ontwerpbesluit bij brief van 10 maart 2026 gestuit. Op 17 maart 2026 heeft uw commissie besloten de behandeling aan te houden in afwachting van de beantwoording van door de Tweede Kamer gestelde vragen over het ontwerpbesluit.

Deze antwoorden zijn op 1 april 2026 aan de Tweede Kamer toegezonden. De minister heeft aangegeven de verzending aan de Afdeling advisering van de Raad van State aan te houden totdat de behandeling van wetsvoorstel 36.836 in de Tweede Kamer is afgerond.

De voorlegging geschiedde in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure voor het verruimen van de reikwijdte van de vergoeding voor rechtsbijstand en bijstand door andere deskundigen (artikel 13n, zesde lid, van de Tijdelijke wet Groningen; artikel I, onderdeel I, van het ontwerpbesluit) en bood de Kamer de mogelijkheid zich hierover uit te spreken voordat het ontwerpbesluit aan de Afdeling advisering van de Raad van State zou worden voorgelegd en vervolgens zou worden vastgesteld. Op grond van de aangehaalde bepaling zou de voordracht aan de Koning ter verkrijging van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het ontwerpbesluit niet eerder geschieden dan 4 weken nadat het ontwerpbesluit aan beide Kamers der Staten-Generaal was overgelegd.


Bespreking

14.32802, D

Verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van BZK over meerjarenplannen digitale informatiehuishouding en openbaarheid 2026-2030 en herijkte Actieplan Open Overheid 2023-2027; Toepassing van de Wet open overheid

Beslispunt

Zijn de vragen afdoende beantwoord of wenst de commissie in nader schriftelijk overleg te treden?

Toelichting

Op verzoek van het lid Van Langen-Visbeek (BBB) is de brief (32.802, C) van de minister van BZK ter aanbieding van het meerjarenplannen digitale informatiehuishouding 2026 – 2030 en het herijkte Actieplan Open Overheid 2023-2027 geagendeerd. Naar aanleiding daarvan is op 17 februari 2026 een brief aan de toenmalige minister van BZK gestuurd met vragen van de leden van de fracties van de BBB en PVV. De staatssecretaris van BZK heeft, mede namens de minister van OCW, bij brief van 30 maart 2026 geantwoord. Het verslag van een schriftelijk overleg (32.802, D) ligt vandaag (14 april 2026) ter bespreking voor.


Bespreking verslag van een schriftelijk overleg

15.33328 / 35112, AP

Verslag van een nader schriftelijk overleg met de staatssecretaris van BZK over voortgang uitvoering maatregelen en toezeggingen Wet open overheid; Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid

Beslispunt

Zijn de vragen afdoende beantwoord of wenst de commissie in nader schriftelijk overleg te treden?

Toelichting

Op 17 maart 2025 informeerde de toenmalige minister van BZK de Kamer over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen en toezeggingen inzake de Wet Open Overheid (Woo). In haar brief ging zij in op twee toezeggingen met betrekking tot het verdrag van Tromsø:

In uw commissievergadering van 1 april 2025 besloot u de status van beide toezeggingen ongewijzigd te laten, aangezien de minister in haar brief aankondigde dat zij de Kamer over die toezegging nader zou informeren in de eerste helft van 2025. Op 4 juli 2025 ontving uw commissie de aangekondigde brief. Op pagina 4 van die brief (33.328, AN) ging zij in op de twee toezeggingen en liet weten dat er geen onderzoek zou worden uitgevoerd. In uw commissievergadering van 25 november 2025 is het verslag van een nader schriftelijk overleg (33.328/35.112, AO) behandeld en hebt u besloten een nieuwe vragenronde te starten en de status van beide toezeggingen ongewijzigd 'openstaand' te laten.

Op 27 januari 2026 is een brief aan de toenmalige minister van BZK gestuurd met vragen van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB en D66. De staatssecretaris van BZK heeft bij brief van 31 maart 2026 geantwoord. Het verslag van een nader schriftelijk overleg (33.328 / 35.112, AP) ligt vandaag (14 april 2026) ter bespreking voor.


Bespreking verslag van een nader schriftelijk overleg



16.33335, H

Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK over het werkprogramma DINGtiid 2026-2027; Wet gebruik Friese taal

Beslispunt

Zijn de vragen afdoende beantwoord of wenst de commissie in nader schriftelijk overleg te treden?

Toelichting

Op verzoek van de leden Van Langen-Visbeek (BBB) en Van der Goot (OPNL) is de brief van de minister van BZK met het werkprogramma 2026–2027 van DINGtiid, het orgaan voor de Friese taal, geagendeerd (33.335, G). Naar aanleiding daarvan is op 17 februari 2026 een brief aan de toenmalige minister van BZK gestuurd met vragen van de fracties van de BBB en OPNL. De minister van BZK heeft bij brief van 8 april 2026 geantwoord. Het verslag van een schriftelijk overleg (33.335, H) ligt vandaag (14 april 2026) ter bespreking voor.


Bespreking verslag van een schriftelijk overleg



17.Werkbezoek aan de Provinciale Staten Groningen

Beslispunt

Welke leden wensen deel te nemen aan het werkbezoek aan de Provinciale Staten van Groningen op 3 juni 2026?

Toelichting

Op 3 juni 2026 vindt een werkbezoek plaats aan de Provinciale Staten van Groningen, waaraan een delegatie van de commissie EZ/KGG deelneemt. Het programma van dit werkbezoek richt zich op onderwerpen als de Groningenwet, de versterkingsoperatie en regionale ontwikkeling (waaronder "Elke regio telt!"/NVPR), die onder de portefeuille van de commissie BIZA vallen. Leden van de commissie BIZA worden van harte uitgenodigd aan dit werkbezoek deel te nemen.

Eventuele follow up naar aanleiding van dit werkbezoek zal, voor zover dit betrekking heeft op onderwerpen die tot de portefeuille van de commissie voor Binnenlandse Zaken behoren, in deze commissie plaatsvinden.

Voor het volledige programma van het werkbezoek wordt verwezen naar de niet-openbare ambtelijke toelichting.


Bespreking

19.Rondvraag