Plenair Perin-Gopie bij behandeling Wet invoering tweestatusstelsel, Asielnoodmaatregelenwet en novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf



Verslag van de vergadering van 13 april 2026 (2025/2026 nr. 25)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 17.02 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):

Dank u wel, voorzitter. Ik hou van Nederland. Dit is het land waarin ik geboren en getogen ben en het land dat mij gevormd heeft tot het mens dat ik nu ben. Nederland is een land waarin vrijheid geen abstract begrip is, maar de dagelijkse realiteit: vrijheid om te zijn wie je bent en de vrijheid om te houden van wie je wilt. Nederland was het eerste land ter wereld dat het huwelijk openstelde voor partners van hetzelfde geslacht, mede dankzij collega Dittrich. Een land waarin mensen uit de lhbtiq-community senator kunnen worden, minister en zelfs minister-president. Dat is niet vanzelfsprekend, maar dat is wel iets wat wij moeten koesteren.

Voorzitter. Voor wie deze vrijheid elders ontbreekt, ziet Nederland er vaak heel anders uit. Mensen die vluchten omdat ze niet mogen zijn wie ze zijn, komen hier met hoop, met de verwachting dat ze eindelijk veilig zijn. Maar die hoop botst nu al met de werkelijkheid. Zij worden behandeld als gelukszoekers. Hun verhaal wordt gewogen langs stereotype beelden, hun identiteit wordt betwijfeld, juist omdat zij in hun land van herkomst niet konden zijn wie zij zijn, omdat dat daar levensgevaarlijk is. Ondertussen wachten die mensen hier in overvolle opvanglocaties en in kleine kamers, vaak gedeeld met mensen voor wie acceptatie van de lhbtiq-community niet vanzelfsprekend is. Stelt u uzelf de vraag, voorzitter: zou u zich dan veilig voelen?

Voorzitter. Soms stel ik mezelf de vraag: wat zou ik doen als ik niet meer veilig was in Nederland? Wat als ik en mijn gezin zouden moeten vluchten? Waar zou ik dan heen gaan? En ik kan het mij niet voorstellen. Ik hou van Nederland. Ik wil hier zijn. Ik wil hier zijn in Europa. Maar voor miljoenen mensen is dit geen hypothetische vraag, maar de dagelijkse realiteit. Zij kiezen er niet voor om te vluchten. Zij worden gedwongen door oorlog, door vervolging of simpelweg om wie zij zijn.

Voorzitter. Nederland was een baken van hoop, maar met deze wetten dreigt dat baken te vervagen. Neem de Wet tweestatusstelsel. In plaats van bescherming centraal te stellen, introduceren we een onduidelijk, beperkend begrip van het kerngezin. Maar wat is dat? Hoe toon je een relatie aan als je niet kan trouwen in jouw land van herkomst, als je liefde daar strafbaar is? Vallen twee mensen die van elkaar houden, maar geen papieren hebben, buiten deze definitie? Wordt hun relatie dan minder waard geacht? Kan de minister dit verduidelijken? Als je relatie dan eindelijk erkend wordt, waarom kun je in Nederland dan alsnog teruggestuurd worden naar Uganda omdat je relatie niet gay genoeg zou zijn? Dit creëert ruimte voor willekeur, onzekerheid en uiteindelijk onrecht. Dan stel ik de vraag welk probleem we hier eigenlijk oplossen. Waarom maken we het moeilijker voor mensen om samen te zijn terwijl hun veiligheid al niet gegarandeerd is? Waarom maken we het in de uitvoering zo ingewikkeld om twee geliefden samen op te vangen?

Dat is niet de enige gezinsvorm waarvoor onduidelijkheid is ontstaan door het begrip "kerngezin". Ook gezinsvormen bestaande uit adoptiekinderen, stiefkinderen of kinderen die net 19 jaar zijn geworden, vallen buiten de boot. Realiseert de regering zich wel dat het voor vluchtende families, wanneer ze huis en haard verlaten, onmogelijk is om de papieren bij zich te hebben die de IND van hen nodig heeft?

De kern van de Wet invoering tweestatusstelsel is het creëren van ongelijkheid tussen groepen die internationale bescherming genieten. In de beantwoording stelt de regering dat dit binnen de Europese kaders mogelijk is, maar een daadwerkelijke toets aan het Unierecht, met name aan het EU-Handvest, blijft uit. De regering volstaat in haar beantwoording met de stelling dat het binnen de minimumnormen past, maar zoals ook in de literatuur en in de jurisprudentie wordt benadrukt: minimumnormen zijn geen vrijbrief om rechten maximaal te beperken. Het is aan de regering zelf om te beslissen hoe ver grond- en verdragsrechtelijke bescherming in Nederland reiken, dus dat maakt de regering verantwoordelijk.

In het coalitieakkoord staat over de wetten die we vandaag bespreken het volgende: indien de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel zijn aangenomen door de Eerste Kamer, worden ze uitgevoerd. Dat wekt toch een beetje de indruk dat deze regering op een of andere magische wijze geconfronteerd zal worden met deze wetten, maar zo is het natuurlijk niet. Het is een politieke keuze geweest van het kabinet van D66, het CDA en de VVD om de behandeling van deze wetten voort te zetten. Het stelt mij teleur dat een kabinet dat bestaat uit drie democratische partijen ervoor heeft gekozen om het wetsvoorstel van oud-minister Faber door te zetten. Dat wetsvoorstel is er met grote politieke druk doorheen geduwd, maar is destijds door vele partijen, waaronder D66, bekritiseerd op zowel de inhoud als op de totstandkoming. Wat ons betreft kan geen van de leden van de drie coalitiepartijen de handen in onschuld wassen bij eventuele acceptatie van deze wetten. Juist van dit kabinet, dat zegt op zoek te zijn naar brede consensus, had ik verwacht dat het afstand zou nemen van deze wetgevingsstijl, niet alleen politiek maar ook juridisch, en naast juridisch ook op basis van morele en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Voorzitter. Laten we eerlijk zijn: dat mensen op de vlucht zijn, komt grotendeels door oorlogen, autocratische regimes en onvrijheden. Als we die zouden kunnen bestrijden en wereldvrede zouden nastreven, zouden veel mensen gelukkig kunnen leven op vele plekken op de wereld, maar dat is niet hoe de wereld er vandaag uitziet.

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Ik heb een vraag aan mevrouw Perin-Gopie van Volt. U heeft natuurlijk een Europees standpunt. U vindt het belangrijk dat de EU harmoniseert en dat we in Europa veel dezelfde wetgeving hebben. Nederland is op dit moment het enige land in de EU dat eenstatusstelsel heeft. Alle andere EU-landen hebben een tweestatusstelsel. Kunt u daarop reflecteren?

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Ik zal maar even het misverstand weer uit de wereld helpen: Volt staat niet voor Europa zoals het nu is. Volt wil de Europese Unie juist hervormen, zodat die democratischer wordt en zodat de Europese belangen vooropstaan.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Ik ga weer verder. Ik ga nog even door op de Wet invoering tweestatusstelsel en de beperkingen die deze oplegt voor gezinshereniging. De enige reden die de regering in de memorie van toelichting geeft om ongehuwde partners uit te sluiten, is dat zij de ruimte in de Europese richtlijn maximaal wil benutten. Dit is de paradox van de eeuw. Afgelopen 1 april vierden onze premier en velen onder ons nog het 25-jarig jubileum van het allereerste homohuwelijk ter wereld met drie nieuwe huwelijken. Vandaag, nog geen twee weken later, bespreken we in deze Kamer of we gebruik kunnen maken van alle maximale ruimte die we maar kunnen vinden om mensen buiten het land te houden, ook als dat betekent dat stellen van gelijk geslacht uit een land waar het huwelijk nog niet gelegaliseerd is, niet bij elkaar kunnen zijn. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? De regering verwijst vervolgens steevast naar artikel 8 van het EVRM als vangnet om weer een lijn met het Unierecht te maken, maar dat betekent in de praktijk dat bescherming afhankelijk wordt van een onvoorspelbare individuele belangenafweging van rechterlijke correctie achteraf in plaats van wat de wetgever zou moeten doen, namelijk het bieden van heldere, onomwonden bescherming vooraf, die niet discrimineert op grond van seksuele oriëntatie.

Voorzitter. Dit is niet hoe de wetgever hoort te werken. Het kabinet moet maatregelen willen aannemen waarin geen inherente discriminatie zit. Mijn vraag aan de minister is dan ook of hij van oordeel is dat er discriminatie zit in de regel dat ongehuwde partners niet mogen nareizen. Raakt die regel stellen van gelijk geslacht vaker dan andere stellen? Zijn er plannen om deze discriminatie aan te pakken?

Dezelfde vraag stel ik over stiefkinderen, geadopteerde kinderen en kinderen die net 19 zijn geworden. Ook voor hen pakt deze maatregel discriminatoir uit, omdat het niet altijd mogelijk of toegestaan is om adoptie of de relatie tot pleegkinderen te formaliseren op zo'n manier dat de juiste papieren beschikbaar zijn voor de IND. Ook hierbij vraag ik de minister wat zijn plannen zijn om dit recht te zetten.

Dan wil ik het hebben over de wachttermijn van twee jaar die met de Wet invoering tweestatusstelsel wordt ingevoerd voor nareis bij subsidiaire bescherming. Om dit even praktisch te maken: subsidiaire bescherming betekent dat iemand in Nederland bescherming komt vragen omdat hij in zijn eigen land het risico loopt te worden blootgesteld aan de doodstraf, aan foltering of aan willekeurig geweld wegens een conflict. Ook dat risico is groter voor bepaalde mensen uit bepaalde groepen. Denk aan mensen uit de lhbtiq-community of mensen met een bepaalde religie of huidskleur. Dan zegt de Wet invoering tweestatusstelsel: wij kunnen jou wel beschermen, maar je mag twee jaar lang niet herenigd worden met je gezinsleden. De minister zegt: we willen gebruikmaken van alle ruimte die de richtlijnen bieden. Als dit al overeenstemt met de minimumnorm, is het de vraag of dit ook menselijk is. Geeft het een beschermingsniveau van gelijkheid waar wij als Nederland achter mogen staan? Ook hierop hoor ik graag de reflectie van de minister.

Daarnaast is de uitvoeringskant van de Wet invoering tweestatusstelsel onvoldoende doordacht. De regering erkent zelf dat deze wet leidt tot meer procedures en meer werk voor het IND. Dat roept de vraag op welk probleem hier eigenlijk wordt opgelost. Bij mij komt ook de volgende vraag op. Als nareis zoveel moeilijker wordt gemaakt maar mensen wél bij hun gezin of partner willen zijn, heeft deze wet dan niet gewoon tot gevolg dat er meer mensen meereizen naar Nederland of dat meer mensen een zelfstandige aanvraag indienen? Hoe kunnen wij vandaag in deze Kamer de doelmatigheid en de effectiviteit beoordelen? Hoe kunnen wij de grote toename van kosten en werklast die op structurele basis wordt verwacht, afwegen tegen de vermeende daling van de instroom, die overigens nergens kon worden geraamd en die vanuit alle windrichtingen door organisaties wordt betwist?

Het is belangrijk dat aan mensen met een verblijfsvergunning rechtszekerheid wordt geboden over welk recht op hen van toepassing is en dat het niet mogelijk wordt om met deze wet achteraf statussen te wijzigen. Daarom vraag ik de minister ten eerste naar het overgangsrecht. Waarom wordt het moment van beslissing op aanvraag tot nareis bepalend voor de vraag welk recht er geldt? Geeft dat met de lange wachttijden geen ongelijke behandeling van gelijksoortige aanvragen die nu in behandeling zijn? Ten tweede vraag ik de minister om te verduidelijken wat er in de memorie van toelichting is gezegd over de aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning. Daarover zegt de memorie van toelichting dat de grond voor verblijf in principe niet opnieuw hoeft te worden beoordeeld bij verlenging, tenzij er concrete aanwijzingen zijn voor een andere uitkomst. Maar wat betekent dat? Kan de minister bevestigen dat de Wet invoering tweestatusstelsel niet kán en niet zál worden gebruikt om achteraf verblijfsstatussen te veranderen die eerder, toen we nog één status kenden, rechtsgeldig verleend zijn?

Voorzitter. Dan de Asielnoodmaatregelenwet. Hierbij gebeurt er iets fundamenteels. Waar ons asielrecht altijd uitging van bescherming van mensen die niet veilig zijn, verschuift deze wet het uitgangspunt naar beperking en afschrikking. De regering zegt dat dit nodig is om meer grip te krijgen en de instroom te beperken, maar uit de beantwoording blijkt dat dit doel niet overtuigend onderbouwd kan worden. Wat we wel zeker weten, is wat de gevolgen zijn: meer procedures; meer druk op de IND, de politie, gemeenten en het COA en meer onzekerheid voor de mensen.

Voorzitter. De Commissie Meijers heeft hiervoor indringend gewaarschuwd. Hun punt is eigenlijk heel simpel en ook heel makkelijk te begrijpen: als je verblijf strafbaar maakt, worden mensen bang. En wat doen mensen die bang zijn? Die trekken zich terug. Dat betekent dat ouders hun kinderen niet meer naar school durven te sturen, mensen geen gebruik meer maken van de gezondheidszorg, ze contact met de overheid mijden en dat we eigenlijk mensenhandelaren een gunst verlenen. Daardoor verdwijnen mensen uit beeld, maar nog niet uit ons land. Dat is niet alleen slecht voor die mensen zelf. Het is ook slecht voor onze samenleving, want je verliest juist het zicht en de controle die je zegt te willen vergroten. Het College voor de Rechten van de Mens wijst op een fundamenteel probleem: als mensen onderwijs en zorg gaan mijden, komen hun basisrechten onder druk te staan, zoals het recht op toegang tot de gezondheidszorg, op onderwijs en op een menswaardig bestaan. Dat zijn geen luxerechten, maar kernwaarden van de rechtsstaat. En ze gelden voor iedereen die zich in Nederland bevindt, niet exclusief voor mensen met de Nederlandse nationaliteit. Deze zorgen zijn bovendien niet theoretisch. Tijdens de deskundigenbijeenkomst hebben uitvoeringsorganisaties zoals IND, COA, politie en VNG gewezen op grote problemen bij de uitvoering. Ook organisaties in het veld signaleren meer onzekerheid, wantrouwen en juridische procedures. Het gevolg is duidelijk: geen verlichting, maar juist extra druk op het systeem.

De regering lijkt sommige van onze zorgen en die van de instanties wel te erkennen, maar weerlegt ze niet overtuigend. In de beantwoording wordt vooral gezegd: wij maken een andere afweging. Maar wat is die afweging dan precies? Daarom vraag ik de minister of hij concreet kan toelichten welke belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Hoe zijn de risico's voor toegang tot zorg, onderwijs en veiligheid erin meegenomen? Hoe verhoudt deze afweging zich tot internationale verdragen, mensenrechten en onze Grondwet? En specifiek voor kinderrechten: Nederland heeft zich verbonden aan het VN-Kinderrechtenverdrag, waardoor bij wetgeving de belangen van het kind de eerste overweging moeten zijn. Kan de minister aangeven hoe de belangen van kinderen zijn meegewogen? Hoe blijkt uit de wetsvoorstellen dat de belangen van kinderen de eerste overweging waren?

Ook in het Europees Migratiepact en specifiek in de Terugkeerverordening zien we een duidelijke lijn: na afwijzing van een asielverzoek volgt terugkeer via één samenhangend stapsgewijs systeem; dwang en detentie zijn daarbij het laatste middel. Deze nationale wetten die we vandaag bespreken, voegen daar een laag aan toe, namelijk het strafrecht. Daarmee ontstaat niet één systeem, maar twee sporen naast elkaar: terugkeer en bestraffing. Waar Europa inzet op een duidelijke volgorde, eerst veroordelen en dan terugkeren, introduceert deze wet een parallel traject waarin verblijf op zichzelf strafbaar wordt. Daarmee verschuift het uitgangspunt van organiseren naar bestraffen. Daarom vraag ik de minister: waarom voegt Nederland met deze wetten elementen toe aan de Europese regelgeving die binnenkort toch al van kracht wordt, en waarom acht de regering het in dit geval wel wenselijk om een nationale kop op Europees beleid te zetten? En dan is deze vraag onvermijdelijk: hoe verhoudt de strafmaat zich tot de Europese keuze voor één geïntegreerde terugkeerprocedure? Hoe voorkomt de regering dat deze wet de Europese systematiek ondergraaft in plaats van versterkt? En waarom kiest Nederland ervoor om een eigen, zwaarder systeem te introduceren, terwijl Europese harmonisatie juist het doel is van het Migratiepact?

En het probleem stopt daar niet, want als mensen bang worden voor straf, gaan ze zich verstoppen, verdwijnen ze uit beeld, vermijden hulp, mijden de overheid, en dan gebeurt precies het tegenovergestelde van wat je wilt. Wat je dan krijgt, is minder grip, minder zekerheid en minder oplossingen. Daarom de volgende vragen. Hoe voorkomt de regering dat deze wet in strijd komt met de systematiek van de Terugkeerverordening? Op welk moment in de procedure acht de regering strafrechtelijke handhaving toegestaan? Hoe wordt voorkomen dat deze maatregel juist leidt tot een minder effectieve terugkeer? Welke garantie kan de minister geven dat barmhartigheid vanuit de maatschappij niet door de rechter wordt afgeschaft? Hulp bij strafbare feiten is immers volgens algemene wetgevingsprincipes verboden.

Voorzitter. Dan blijft één vraag over: als een maatregel niet werkt, de asielketen en de uitvoering juist meer worden belast en mensen juist verder in de problemen worden gebracht, en als het botst met de afspraken die we in Europa hebben gemaakt, waarom zouden we deze wetten dan nog invoeren?

Voorzitter. In het debat van vorige week over de regeringsverklaring zei de minister-president over het EVRM dat dat de normaalste zaak van de wereld is. Daar zijn mijn fractie en de fractie van de Partij voor de Dieren het volledig mee eens, maar dat betekent ook dat wetgeving daaraan moet voldoen — en niet pas na toetsing door de rechter, maar bij de totstandkoming zelf. Dan kunnen we niet anders dan de bezwaren van het College voor de Rechten van de Mens heel serieus nemen. Ja, soms moet je als politiek over je eigen gelijk heen stappen, zoals premier Jetten hier vorige week zei. Maar hij zei dat als reden waarom het kabinet of D66 toch de wetsbehandeling van deze wet heeft voortgezet. Maar het mag natuurlijk nooit betekenen dat je dan over de rechtsstaat heen stapt, of over kinderrechten, of over de kwaliteit van wetgeving, of over de uitvoerbaarheid van de wetten.

Voorzitter. Alles afwegende zien wij wetten die juridisch onvoldoende zijn onderbouwd, praktisch moeilijk uitvoerbaar zijn, de beoogde doelen niet zullen realiseren en reële schade veroorzaken aan mens en samenleving. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister.

Voorzitter. Het gaat al langer rond dat we een hoofdelijke stemming over deze wetten zouden hebben, maar volgens mij is die nog niet aangevraagd.

De voorzitter:

Dat klopt. Dat zullen we morgen in het College van Senioren gaan bespreken.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Oké. Dan wil ik alvast aangeven dat Volt de wens heeft voor een hoofdelijke stemming over alle drie de wetsvoorstellen. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan wil ik nu graag het woord geven aan de heer Van de Sanden, want dat gaat dan nog lukken voor de dinerpauze. De heer Van de Sanden van de Fractie-Van de Sanden.