Verslag van de vergadering van 14 april 2026 (2025/2026 nr. 26)
Aanvang: 10.02 uur
Status: ongecorrigeerd
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Aan de orde is de behandeling van:
-
-het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis (Wet invoering tweestatusstelsel) (36703);
-
-het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet) (36704);
-
-het wetsvoorstel Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet) (novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf) (36855).
De voorzitter:
Aan de orde is de voortzetting van de gezamenlijke behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis (Wet invoering tweestatusstelsel) (36703) en het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet). Tot slot is aan de orde de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet) (novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf).
Aan de orde is nu het antwoord van de regering in de eerste termijn.
De beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister van Asiel en Migratie.
Minister Van den Brink i:
Dank u wel, voorzitter. Fijn dat ik hier ook vandaag weer te gast mag zijn. Ik was er de afgelopen week al een paar keer, zelfs op dag één al, toen de wet inzake biometrie hier aan de orde was. Maar toch voelt dit debat vandaag onmiskenbaar als mijn debuut in de Eerste Kamer als minister van Asiel en Migratie. Ik vind het eervol, maar er staat ook meteen veel op het spel. Asiel en migratie zijn namelijk onderwerpen waar iedereen wat van vindt en waar veel over is gesproken in de afgelopen jaren. Dat zal in de komende jaren vast ook nog zo zijn, in de kantine, bij het sportveld, in Ter Apel, in Budel, aan de talkshowtafel, en ja, ook in de politiek, en dan vooral aan de andere kant.
Tot nu toe heeft de politiek bar weinig bereikt. Dat is overigens niet u aan te rekenen. U bent als Eerste Kamer de noodzakelijke chambre de réflexion, die zich nu mag uitspreken. In uw bijdragen van gisteren herken ik ook de behoefte om eindelijk resultaat te boeken. Die behoefte aan resultaat is wat ons hier vandaag verbindt. Ik zie ernaar uit om vandaag diepgaand op uw bespiegelingen, uw opmerkingen en uw vragen in te gaan. Maar ik heb vandaag ook een heel belangrijk doel voor ogen, namelijk om van praten te komen tot aangenomen wetsvoorstellen, zodat we resultaten gaan boeken.
Ik wil dat Nederland ziet dat de politiek weer in staat is om tot oplossingen te komen. We hebben onderschat dat de spankracht van de samenleving een grens heeft. Als er één taak is die ik voor mezelf zie als minister, en waarom ik ook volmondig ja gezegd heb en met overtuiging hier sta, is het dat ik wil laten zien aan de samenleving dat het mogelijk is om twee dingen tegelijkertijd te doen: én maatregelen treffen om grip op migratie te krijgen, én tegelijkertijd als samenleving een veilige plek blijven voor mensen die op de vlucht zijn voor oorlog en geweld.
Voorzitter. Vanuit die grondhouding verdedig ik de wetsvoorstellen die vandaag voorliggen, de Wet invoering tweestatusstelsel, de Asielnootmaatregelenwet en de novelle. Aan die wetten liggen twee gedachten ten grondslag. De eerste is deze: met het tweestatusstelsel gaan we terug naar de basis, namelijk de subsidiaire bescherming gericht op tijdelijke bescherming in situaties van oorlog en geweld, en de vluchtelingenbescherming van mensen die moeten vrezen voor hun leven, vanwege politieke overtuiging, godsdienst of seksuele gerichtheid. In het jaar 2000 — het is gisteren vaak gezegd — is besloten voor beide statussen dezelfde voorwaarden te hanteren, dit in tegenstelling tot al onze buurlanden.
Vandaag de dag hebben we een overbelaste asielketen. Ik neem u even mee in een paar cijfers. We hebben meer dan 80.000 opvangplekken, maar daarmee nog steeds een tekort. Er zijn meer dan 19.000 statushouders die nog in de COA-opvang verblijven. Er zijn gezinsleden die nareizen om hier in de noodopvang terecht te komen, en er wachten nog 53.000 in het buitenland. Als we op een goede manier bescherming willen bieden aan hen die daar recht op hebben, als we willen zorgen dat mensen echt mee kunnen doen en als we tegelijkertijd de spankracht in onze samenleving willen behouden, dan hebben we niet alleen een Spreidingswet nodig. Dan hebben we ook selectiever beleid nodig. Dan hebben we beleid nodig dat een gerechtvaardigd onderscheid durft te maken. Dan hebben een beleid nodig waarmee we ons asielrecht harmoniseren met dat in de landen om ons heen.
En dan de tweede gedachte, onder de andere wet. Dat zijn vooral maatregelen om de procedure efficiënter te maken, de doorlooptijden te verkorten en misbruik tegen te gaan. De voorbeelden in de Asielnoodmaatregelenwet zijn het afschaffen van de voornemenprocedure, een ongegrondverklaring van bezwaar als een vreemdeling niet komt opdagen bij gehoor, een strengere toets bij herhaalde aanvraag of nieuwe feiten of omstandigheden en ten slotte ook twee maatregelen die een heldere norm moeten stellen, namelijk de verruiming van de mogelijkheden voor ongewenstverklaring en de strafbaarstelling van niet-rechtmatig verblijf. Dat geldt voor vertrekplichtige vreemdelingen die wel terug kunnen, maar hun terugkeer frustreren.
Beide wetten geven uitdrukking aan de noodzaak om meer grip op migratie te krijgen, maar dat doen we niet vanuit een ideale situatie. De noodzaak van maatregelen is acuut. Er moet weer rust en orde komen in de asielketen. Dit kabinet wil de instroom beperken en terugkeer bevorderen. Dit kabinet wil de asielopvang tot rust brengen en dit kabinet wil dat mensen die hier mogen blijven sneller meedoen, waardoor ze beter kunnen integreren en een bijdrage aan onze samenleving kunnen leveren. Drie elementen vormen de basis van het coalitieakkoord, vormen de basis van mijn werk als minister en zal ik de komende jaren blijven uitdragen: de instroom beperken, de asielopvang tot rust brengen en mensen sneller laten meedoen.
Voorzitter. Meer grip krijgen op migratie is wel degelijk mogelijk, in nationaal verband en in Europees verband. Oorlogen breken uit. We zien het vandaag de dag nog steeds. Dat kunnen we helaas niet voorkomen. En dan vluchten mensen voor hun veiligheid. De meeste mensen vluchten binnen het eigen land of naar een buurland. Dat is gisteren ook gememoreerd door u. Slechts een deel daarvan probeert naar Europa te komen. De mensen die eenmaal in Europa zijn, laten zich bij hun keuze voor een eindbestemming leiden door meerdere factoren. Een studie van het Verwey-Jonker Instituut van een paar jaar geleden heeft dat ook laten zien. Primair is de reden om naar Europa te komen veiligheid, maar daarna is ook het verschil tussen het asielbeleid van de landen relevant. Het is van invloed op de keuze naar welk land een asielzoeker gaat. Juist daarom vind ik het ook zo belangrijk dat wij ons asielbeleid harmoniseren met dat van de andere EU-lidstaten en de landen om ons heen, want dan creëren we in Europees verband een gelijk speelveld en wordt Nederland niet meer, maar ook niet minder aantrekkelijk als bestemmingsland.
Voorzitter, ten slotte. Deze discussie gaat niet alleen over de asielketen of over het Nederland van vandaag of morgen. We hebben het hier ook over de toekomst van ons land. De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen heeft ons laten zien waarom Nederland moet kiezen voor een gematigde groei van de bevolking, naar 19 tot 20 miljoen mensen in 2050. Dat is omdat wonen, zorg en onderwijs voor iedereen goed bereikbaar moeten blijven en om de spankracht, waar ik eerder over sprak, en de leefbaarheid van onze samenleving te beschermen. Ook daarvoor zijn scherpe politieke keuzes nodig en niet alleen op het vlak van asiel en migratie, maar dat is wel waar we vandaag over spreken.
Het gaat vandaag over de nationale keuzes om de grip op asielmigratie te versterken en die keuzes zijn onderdeel van een breder pakket aan maatregelen. Binnenkort komen we te spreken over de uitvoerings- en implementatiewet bij het EU-Asiel- en Migratiepact. Het is van belang dat over deze wetsvoorstellen op korte termijn duidelijkheid komt. Dat is ook wat de uitvoering van ons vraagt. Ze wachten er met smart op. Uitvoeringsorganisaties, zoals de IND, kunnen dan met de voorbereidingen van de implementatie beginnen. De inzet van dit kabinet is daarom om deze asielwetten zo snel mogelijk in te voeren en ze daarna onverkort uit te voeren, uiteraard indien uw Kamer ze aanvaardt.
Ik heb de afgelopen tijd intensief gesproken met diverse betrokken uitvoeringsorganisaties en ook met maatschappelijke organisaties. En ja, zeker ook met organisaties die zich zorgen maken over de precieze uitwerking van wetsvoorstellen. Ook bij hen heb ik mijn oor te luister gelegd. Ik ben deze organisaties erkentelijk voor de maatschappelijke bijdrage die ze dag in, dag uit leveren in onze samenleving en waar we trots op mogen zijn als Nederland. Ik zal natuurlijk ook uitgebreid terugkomen op de novelle over strafbaarstelling van niet-rechtmatig verblijf, waar u gisteren zo veel vragen over hebt gesteld en waar zo veel onrust over is ontstaan. Ik neem alle vragen uiterst serieus. Ik zie uit naar dit debat over de wetmatigheid, over de uitvoerbaarheid, over de juridische grondslagen, over de rechtstatelijke overwegingen en over alles wat verder ter tafel mag komen. Ik heb gisteren gemerkt dat dat een heleboel is.
Ik begin nu graag met de beantwoording en dat doe ik met de volgende blokken. Mijn eerste blok gaat over de asielprocedure. Het tweede blok zal over het tweestatusvoorstel gaan en de nareisvoorwaarden. Het derde blok gaat over de strafbaarstelling van niet-rechtmatig verblijf. Het vierde blok gaat over de uitvoering. In het vijfde blok komt u alles tegen wat onder het blokje overig valt.
Ik wil beginnen met het deel over de asielprocedure.
Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de minister voor de inleiding. Het is een inleiding en de rest volgt natuurlijk nog, maar ik wilde even teruggaan naar de zin die de minister gebruikte om de strafbaarstelling te benoemen. De bewoording van de minister was volgens mij anders dan wat er in de wettekst staat. Klopt dat?
Minister Van den Brink:
Volgens mij luidt het artikel van de wet "het niet rechtmatig in Nederland verblijven van een meerderjarig persoon".
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Exact. En u zei: strafbaarstelling van verblijf van mensen die aan het einde van hun procedure zijn en het moeten, maar niet kunnen. Dat is natuurlijk niet wat in de wet staat. Het is wel goed dat we aan het begin van het debat scherp hebben waar we het over hebben.
Minister Van den Brink:
Zeker. Daarom gaat mijn hele derde blok over de strafbaarstelling van niet-rechtmatig verblijf in Nederland. Daar zal ik betogen dat dat deel ziet op mensen die niet willen terugkeren. Daar heb ik straks een heel uitvoerig betoog over, dat ik opnieuw met een inleiding zal aanvangen, omdat het, zoals gisteren door veel partijen gememoreerd, hier ook gaat over de wetsgeschiedenis, over de wijze waarop we hierover spreken, over de bedoeling van de wet, over de juridische ruimte die die wet wel of niet zou bieden en over welke verantwoordelijkheid ik daarin als minister heb.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dat begrijp ik. Dat waardeer ik ook. Het punt is alleen dat de wetstekst nu iets anders zegt. Misschien wordt het aan het einde van het debat iets anders; dat zullen we zien. Daarom was het voor mij belangrijk om te markeren dat het nu gewoon een generieke strafbaarstelling van illegaal verblijf is.
Minister Van den Brink:
Ik denk dat de zin die ik net uitsprak een aankondiging is van mijn betoog.
De voorzitter:
Minister en ook de leden, ik wil graag dat we via de voorzitter spreken, ook om het debat wat gerichter en geordender te kunnen voeren, want het is best een intensief debat. Gaat uw gang.
Minister Van den Brink:
Dank u wel. Ik begin bij de asielprocedure. Dan begin ik gewoon bij een van de vragen die door de verschillende leden zijn gesteld. Een van de vragen die mevrouw Huizinga stelde, maar ook meerdere andere senatoren hebben gesteld, ging over de instroom in Nederland. Hoe hoog is die en hoe moet dat in de context van de Europese Unie worden gezien? De instroom fluctueert nationaal en internationaal. Ik gaf net ook al aan: oorlogen breken uit. We hebben fases van rust gehad op het asielterrein. Dat is overigens wel een lange tijd geleden. Maar het is goed om de feitelijke situatie goed in ogenschouw te nemen.
Nederland heeft een lange tijd te maken gehad met een hoge instroom die de keten niet aankan. Ik heb net al genoemd wat vandaag de dag de overbelaste asielketen inhoudt qua opvangplekken, statushouders en nareizigers. Daarom is niets doen geen optie. Ook in de ons omringende landen zijn maatregelen genomen met als doel de instroom te verminderen en de samenleving te ontlasten. Met deze onderhavige wetten creëert de regering in Europees verband een gelijk speelveld en wordt Nederland niet onnodig aantrekkelijker als bestemmingsland.
Daarom vroeg u, samen met mevrouw Perin-Gopie van Volt, waarop wij baseren dat deze wetsvoorstellen de instroom van asielzoekers zullen verlagen. De instroom van asielzoekers is afhankelijk van een groot aantal intern en extern op elkaar inwerkende factoren. Het is daarom niet mogelijk om exact aan elke maatregel een cijfermatige doorberekening te hangen. Dit neemt niet weg dat van de voorgestelde maatregelen een belangrijk instroomeffect mag worden verwacht. Hoewel onveiligheid veruit de belangrijkste reden voor asielmigranten is om hun land van herkomst te verlaten, is eenmaal in de EU aangekomen het gevoerde asielbeleid wel degelijk medebepalend voor de bestemmingskeuze. Ik noemde net al het Verwey-Jonker Instituut, maar we hebben natuurlijk ook in andere Europese landen gezien wat het effect is geweest nadat ze maatregelen troffen.
Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):
De minister zegt: wij moeten niet onnodig aantrekkelijker worden. Hij heeft ook gezegd dat de instroom in Nederland hoger is dan de keten aankan. Mijn opmerking duidde erop dat het niet zo is dat de instroom in ons land hoger is dan in andere landen. Dus de conclusie dat Nederland aantrekkelijker is omdat meer mensen, relatief gezien, in vergelijking met andere landen, naar ons land komen, is toch niet juist? Of heeft de minister daar een andere visie op?
Minister Van den Brink:
Mijn visie op de aantrekkelijkheid heeft te maken met de voorwaarden die worden gesteld, onder welke voorwaarden je hiernaartoe kan komen en welke vergunning je krijgt, tijdelijk of voor onbepaalde tijd. Dat zijn de voorwaarden waarover ik spreek die de aantrekkelijkheid aanduiden. Het getal van de instroom is wisselend. We zien grote verschillen met Denemarken en Zweden. Wellicht is het weer iets lager dan in Duitsland. Het klopt dat er verschillen zijn en dat we zeker niet bovenaan staan in Europa. Maar we staan ook zeker niet onderaan.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
De minister zegt dat het beleid in ons land anders is dan in de ons omringende landen, maar dat andere beleid heeft er tot nu toe niet toe geleid dat er meer asielzoekers naar ons land kwamen dan naar andere landen.
Minister Van den Brink:
Een aantal landen niet, een aantal landen wel. Dus dat klopt. Er zijn landen met meer instroom en landen met minder instroom. Feit is, zoals ik net ook betoogde in mijn inleiding, dat er ook een harmonisatiereden kan zijn om je asielbeleid te willen harmoniseren. Dat is een van de grondgedachtes onder deze beide wetsvoorstellen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Huizinga.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Dit gaat over de buurlanden. De minister zegt dat we moeten harmoniseren met de buurlanden, want anders worden wij te aantrekkelijk. Mijn enige opmerking is dat dat in het verleden, tot nu toe, niet gebleken is. Het is niet gebleken dat er meer mensen naar ons land komen vanwege onze, volgens de minister, aantrekkelijke regels.
Minister Van den Brink:
We hebben wel degelijk te maken met een spankrachtdiscussie in de Nederlandse samenleving. Dat houd ik sowieso staande. Daarnaast zijn er landen die minder instroom hebben en landen die meer instroom hebben.
In de asielprocedure, een vraag van de heer Dittrich …
De voorzitter:
Voordat we verdergaan, is er nog één punt van mevrouw Karimi.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
De minister verwijst twee keer naar het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut. Ik heb het hier voor me. Volgens mij is het net iets anders. Het zegt: "Als een vluchteling eenmaal in de EU is aangekomen, is de aanwezigheid van familie of vrienden de belangrijkste reden om door te reizen naar Nederland. Daarnaast wordt de aantrekkelijkheid van Nederland bepaald door de algemene veiligheidssituatie, de welvaart en de economische situatie." We gaan toch niet de algemene welvaart en de economische situatie in Nederland slechter maken zodat er minder mensen hiernaartoe komen?
Minister Van den Brink:
Had ik nou toch maar dat rapport van Verwey-Jonker meegenomen, met de exacte bladzijde. Ik durf te denken dat het ergens op bladzijde 103 of 104 staat. Als u zoekt op het woord "nareis", zult u zien dat nareis een van de elementen van asielredenen is waardoor mensen doorreizen in Europa.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Nou, dat is weer iets anders. We hadden het niet over nareis. We hadden het erover dat beperkingen in het asielbeleid, in de asielprocedure, een bepalend argument zouden zijn voor de mensen om door te reizen naar Nederland. Daarbij heeft u een paar keer gerefereerd aan dat onderzoek. Nu ik daarnaar kijk, zie ik dat het toch een beetje anders klinkt.
Minister Van den Brink:
Als wij samen straks een kop koffie gaan drinken en het hele Verwey-Jonkerrapport gaan lezen, denk ik dat we deze elementen zeker ook terugvinden.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik heb ook niet de voetnoten uit ieder onderzoek paraat, maar ik weet wel dat uit verschillende onderzoeken is gebleken dat het hoge inwilligingspercentage van Nederland een van de belangrijkste pullfactoren is voor asielzoekers om hierheen te komen. Daardoor speelt Nederland al jarenlang in de Champions League van de asielinstroom. Daar moeten we met deze wetten toch een eind aan gaan maken.
Minister Van den Brink:
Volgens mij worden daar meerdere zaken in meegenomen, zoals de duur van de vergunning, het inwilligingspercentage en de nareis. Uit dat onderzoek blijkt dat er een hele set aan zaken is waarom mensen naar Nederland komen.
Ten aanzien van de asielprocedure vroeg de heer Dittrich naar de afschaffing van de voornemenprocedure. Hij vroeg wat het effect daarvan zou zijn. Het afschaffen van de voornemenprocedure moet leiden tot een snellere en efficiëntere asielprocedure. De rechtsbescherming blijft afdoende gewaarborgd. Ook zonder de voornemenprocedure neemt de IND een zorgvuldig besluit over de asielaanvraag. Net als nu blijft het gehoor het belangrijkste moment van de asielprocedure. Na het gehoor heeft de asielzoeker de mogelijkheid om correcties en aanvullingen in te dienen voordat de IND een besluit neemt. Om te voorkomen dat rechtbanken onnodig worden belast met besluiten die niet houdbaar zijn, zal de IND zo veel mogelijk een check doen op het dossier voordat een zitting wordt ingepland, om te voorkomen dat er extra werk uit voortvloeit. Maar het afschaffen van de voornemenprocedure is voor de IND een van de meest verlichtende elementen in het aanpassen van de asielprocedure.
De heer Dittrich i (D66):
We hebben de hoorzitting gehad en brieven gekregen van onder anderen rechters. Daaruit bleek dat het, als je de voornemenprocedure afschaft, inderdaad sneller kan gaan bij de IND. Maar wij moeten natuurlijk naar de hele keten kijken. Daar zitten ook rechters in. Die zeggen dat er een waterbedeffect kan ontstaan en dat er, als je de voornemenprocedure weghaalt, meer procedures bij de rechter moeten worden uitgevochten. Daar hebben ze geen tijd en geen mensen voor. Wil de minister daar eens op reageren?
Minister Van den Brink:
Zeker in de gesprekken die u heeft gehad en in de technische briefings is dit een element geweest waar veel over is gesproken. Uiteindelijk hebben we een afweging gemaakt tussen het voordeel en het nadeel. Het is zeker waar dat er bij de rechtspraak misschien iets meer zaken zouden kunnen komen. Maar het voordeel bij de IND heeft zwaarder gewogen bij de afweging voor de hele keten, omdat dat uiteindelijk een groter effect zal hebben dan de verzwaring die aan de kant van de rechtbank wordt verondersteld.
De heer Dittrich (D66):
Maar wat doen we dan met de bezwaren van de rechters die zeggen dat er nu veel meer zaken op hen afkomen als de voornemenprocedure weg is? U zegt dat de voor- en nadelen gewoon tegen elkaar zijn afgewogen, maar dan laat u de rechterlijke macht in de kou staan, begrijp ik.
Minister Van den Brink:
Nee, zeker niet. Vanaf dag één zijn daar gesprekken mee gevoerd, ook over hoe we dat kunnen voorkomen. Daarom geeft de IND aan dat ze zullen kijken welke zaken te herstellen zijn voor ze op zitting worden gebracht. Er zijn dus allerlei gesprekken over gevoerd. Dit is de best mogelijke uitkomst voor de hele keten.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Dittrich.
De heer Dittrich (D66):
De voornemenprocedure is er indertijd gekomen omdat we toen de bezwaarfase hebben afgeschaft. Toen werd er gezegd dat mensen natuurlijk wel goede rechtsbijstand moeten kunnen krijgen en op een goede manier hun procedure moeten kunnen voeren. Daarom is er een voornemenprocedure ingebouwd, zodat allerlei bezwaren uitgezeefd kunnen worden. Nu wordt de voornemenprocedure weggehaald. Over een langere termijn hebben mensen veel minder rechtshulp en rechtsmogelijkheden dan toen de Vreemdelingenwet 2000 werd gemaakt. Mijn zorg zit erin dat de kwaliteit van de beslissingen van de IND daaronder te lijden kan hebben. De minister zegt dat er een soort screeningprocedure komt, waardoor zaken uitgezeefd worden. Dan zou je toch net zo goed die voornemenprocedure kunnen houden?
Minister Van den Brink:
In andere lidstaten is dit niet op deze manier ingeregeld. Het wordt ook niet verplicht door het Europees recht. Het zal straks ook geen onderdeel zijn van het pact. Daarom heeft de IND al lange tijd bepleit om deze stap te zetten. Zij borgen zelf de zorgvuldigheid van de besluitvorming en houden de mogelijkheid tot correcties open nadat het gehoor heeft plaatsgevonden. In die zin zijn wij ervan overtuigd dat het proces geborgd is.
De heer Schalk vroeg mij hoe de IND moet beoordelen hoe iemand al dan niet tot het christendom is bekeerd, hoe we daar in de praktijk invulling aan geven en of dat kan worden verbeterd. Zaken waarin een religieus motief wordt aangevoerd, worden door de IND zeer zorgvuldig en met extra waarborgen voor de kwaliteit behandeld. Zo investeert de IND op verschillende manier in het actualiseren en op peil houden van de kennis en de vaardigheden van haar medewerkers ten aanzien van bekering en afvalligheid. Naast de verplichte modules van het Asielagentschap van de Europese Unie krijgen alle medewerkers een training over het beoordelen van aanvragen waar een religieus motief aan ten grondslag ligt. Daarnaast moet in elke zaak een bekeringscoördinator worden geraadpleegd. Dat zijn ervaren medewerkers met specifieke kennis en ruime ervaring met deze zaken. Er is ook een heldere werkinstructie voor de IND voor zaken waarin een religie als asielmotief is aangevoerd. Aanvullende maatregelen zijn op dit moment niet noodzakelijk, vanwege de manier waarop dit op dit moment in de praktijk loopt. De signalen die we daarover ontvangen nemen we altijd zeer serieus. Dan gaan we ook weer het gesprek aan met de IND om te kijken wat daar nog kan worden verbeterd.
De heer Schalk i (SGP):
Dank voor dit antwoord. In zekere zin is dat geruststellend. Worden de trainingen van de IND ook gedaan door mensen vanuit bijvoorbeeld kerken, religieuze instellingen, zodat zij de juiste handvaten kunnen aanreiken?
Minister Van den Brink:
Omdat deze training verplicht is, denk ik dat die alleen ziet op de IND-kant. Maar ik weet wel dat in de overleggen die worden gevoerd, ook die met de organisaties die hierbij betrokken zijn, informatie wordt uitgewisseld over wat de ervaringen zijn en hoe dat in de praktijk verloopt. Ik heb dus de indruk — ik heb dat soort gesprekken zelf ook weleens gehad — dat daar wel degelijk kennis wordt uitgewisseld met organisaties in de praktijk.
De heer Schalk (SGP):
Het is mooi om te horen dat die indruk bestaat, maar misschien kan nog even gecheckt worden of dat inderdaad gebeurt. En als dat nog niet gebeurt, kan daar misschien nog aandacht voor komen.
Minister Van den Brink:
Daar zal ik op terugkomen. Ik herinner het mij nu: ze zijn erbij betrokken. We gaan er ook mee door.
De heer Van Rooijen vroeg mij of Nederland in staat is om soelaas te bieden aan de vluchtelingenstromen die hier en daar weer op gang komen. De instroom van asielzoekers is afhankelijk van een groot aantal interne en externe op elkaar inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en Europese maatregelen is de instroom in belangrijke mate afhankelijk van de internationale geopolitieke ontwikkelingen die we de afgelopen jaren hebben gezien. Dat is in het bijzonder het geval als wordt gekeken naar de reden van asielmigranten om te vertrekken. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel dat het sturen niet alleen moet plaatsvinden met enkel afzonderlijke maatregelen maar met een samenhangend pakket aan maatregelen. Dat is wat hier vandaag voorligt.
Hoe kunnen we dat nog remmen, vroeg meneer Van Rooijen op een vrij duidelijke manier. We zetten in op een breed scala aan maatregelen om grip te krijgen op migratie. Denk aan het Europees Asiel- en Migratiepact, dat op 12 juni aanstaande in werking treedt. Bij akkoord van uw Kamer worden de wetten die we vandaag bespreken zo spoedig mogelijk uitgevoerd. Daarmee zetten we zowel op Europees als op nationaal niveau belangrijke stappen om meer grip te krijgen op migratie. Een goede invoering van deze Europese en nationale wetten heeft dan ook de prioriteit van dit kabinet. De migratieketen moet wel de gelegenheid krijgen om het pakket aan maatregelen tot uitvoering te brengen, want daar vraagt de uitvoering om; daar heeft u gisteren ook naar gevraagd. Met deze maatregelen verwachten we op langere termijn verlichting in de keten. Het is uiteraard van belang om de instroom goed te blijven volgen. Indien noodzakelijk is het kabinet bereid op termijn aanvullende maatregelen te treffen.
Meneer Beukering zei: "In theorie kunnen kansarme asielaanvragen snel afgehandeld worden, maar in de praktijk blijven ze lang liggen. Kan de minister aangeven hoe deze wet helpt tot snellere afhandeling van deze groep?" Deze wet geeft handvaten om kansarme herhaalde aanvragen sneller inhoudelijk af te doen. Dat is een van de maatregelen die specifiek in deze wet zit. Ook aanvragers die zonder verschoonbare reden niet op komen dagen, kunnen onder deze wet versneld inhoudelijk worden afgewezen. Het afschaffen van het voornemen helpt verder bij het sneller afdoen van aanvragen die worden afgewezen. Dat helpt dus ook bij het afdoen van kansarme aanvragen.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Komt de minister nog terug op mijn vraag over de destabiliserende rol van Rusland?
Minister Van den Brink:
Zeker, maar wel in het blokje overig. Daar kwam ik achter toen ik het vanochtend doornam. Maar ik kan aankondigen dat u wel de laatste bent die een antwoord krijgt in mijn blokje overig! Daar zitten meerdere van uw vragen tussen. Daar is dus over nagedacht.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
De laatsten zullen de eerste zijn!
Minister Van den Brink:
Daarom, daarom! Heel goed.
Meneer Beukering vroeg ook nog hoe het kabinet ervoor zorgt dat kansarme aanvragen prioriteit krijgen in onze asielaanpak. Er lopen al verschillende prioriteiten op kansarme aanvragen. Zo worden aanvragen van mensen uit voormalige veilige landen van herkomst met prioriteit ingepland en daarmee ook afgehandeld. Ook mensen die reeds bescherming hebben in een ander Europees land en die dus hier een aanvraag hebben gedaan, worden versneld afgehandeld en naar het land teruggestuurd. Daarnaast worden uiteraard aanvragen van overlastgevers met prioriteit aangepakt en afgehandeld. Ten slotte zal ook het Europees Migratiepact daarin weer verbeteringen aanbrengen.
De voorzitter:
Minister, u kunt iets langzamer …
Minister Van den Brink:
Mag dat weer?
De voorzitter:
U mag wat langzamer praten. Dat is fijner.
Minister Van den Brink:
Die tip krijg ik vaker van voorzitters! Dank.
Meneer Beukering vroeg ook nog of wij van mening zijn dat deze wet voldoende is om die versnelling te realiseren en of daar ook nog aanvullende maatregelen voor nodig zijn. Ik noemde net al een aantal maatregelen uit deze wet. Deze wet geeft daarnaast extra handvatten om ook kansarme herhaalde aanvragen en aanvragen van asielzoekers die niet komen opdagen op hun gehoor snel inhoudelijk af te doen. Dat is ook een stap in de goede richting. Daarnaast stelt de aanstaande migratiepactwetgeving kortere behandeltijden voor kansarme aanvragen voor. Wij zijn ervan overtuigd dat al deze maatregelen tezamen voldoende zijn om kansarme aanvragen snel af te doen. Maar het is ook zoals de heer Beukering gisteren in zijn inbreng zei: we mogen het goede niet verliezen door perfectie. Dat is iets wat we waarschijnlijk vaker zullen zien terugkeren in het debat: zien we zaken die voor verbetering vatbaar zijn of willen we voor perfectie gaan? We zijn ervan overtuigd dat deze wetgeving een goede basis biedt om mee aan de slag te kunnen.
De heer Van Rooijen vroeg ook nog of ik aanvullende maatregelen nodig acht voor de groep kansarme asielzoekers. Ook in Europees verband hebben we zoals ik net aangaf aanvullende maatregelen via het Asiel- en Migratiepact. Daar komen we binnenkort nog over te spreken. Dat debat zullen we maar niet alvast gaan voeren, maar daar zit de asielgrensprocedure in. Mensen uit een land met een laag inwilligingspercentage die aan de grens een aanvraag doen, moeten daar blijven om daar hun procedure af te wachten en weer teruggestuurd te worden naar het land waar ze vandaan gekomen zijn.
De PVV vroeg hoe ik duid wat er precies wordt verstaan onder instroombeperkende maatregelen. Met de in beide wetten voorgestelde maatregelen creëert de regering in Europees verband een gelijk speelveld en wordt Nederland niet onnodig aantrekkelijker als bestemmingsland. Zo wordt met de maatregel van het afschaffen van de vergunning voor onbepaalde tijd en het verkorten van de duur van de vergunning ons asielbeleid geharmoniseerd met dat van andere Europese lidstaten. Met de nareisvoorwaarden worden direct instroombeperkende maatregelen genomen. Van de voorgestelde maatregelen mag een belangrijk instroomeffect worden verwacht. We hebben het vaker gezegd, het Zweedse voorbeeld illustreert dat. Het laat zien dat het met een krachtige inzet mogelijk is om een groot verschil te maken als het gaat om asielinstroom. Eenmaal in de Europese Unie aangekomen, is het asielbeleid medebepalend voor de keuze die mensen maken.
U vond dat nog niet genoeg en vroeg opnieuw naar de acute asielstop. Dat overweegt het kabinet niet. Het kabinet zet in op een breed scala aan maatregelen — ik noemde ze net — maar wel binnen de kaders van het Unierecht, zowel op Europees als op nationaal niveau om zo grip te krijgen op migratie. We zien het belang van het beperken en goed blijven volgen van de instroom. We hebben aangeven aanvullende maatregelen te treffen als dat noodzakelijk is.
De heer Van Hattem (PVV):
De minister zegt: ik wil geen asielstop invoeren. Hij zegt ook: als het nodig is, zullen we aanvullende maatregelen nemen. Tegelijkertijd is er de afgelopen week of twee weken geleden een brief gestuurd naar alle Nederlandse burgemeesters met "u moet en zal azc's openen". De situatie in Ter Apel is volgens deze minister onhoudbaar. Dat heeft hij in deze brief ook aangegeven. Eigenlijk is de situatie dus al zo kritiek dat er iets moet gebeuren. Dan vraag ik mij af wanneer er aanvullende maatregelen komen en welke. Waarom dan geen asielstop, zoals alle landen om ons heen wel doen? Bijvoorbeeld Duitsland is al veel strenger qua grensbewaking en Oostenrijk is veel strenger qua gezinshereniging. Waarom laat de minister dit allemaal achterwege? Wat mogen we dan wel verwachten?
Minister Van den Brink:
Het belangrijkste is dat we erkennen dat de wetten die we vandaag bespreken effect zullen hebben. Dat hopen we terug te zien na invoering. Het kabinet heeft aangegeven deze wetten, als ze worden aangenomen, onverkort te zullen uitvoeren. We verwachten daar namelijk ook een nuttig effect van. Daarbovenop komt op een later moment mogelijk de afweging wat we dan nog extra kunnen doen als dat niet voldoende is. Ten aanzien van uw opmerkingen over de asielopvang: ja, het is een feit dat we opvangplekken tekortkomen, maar dat is ook omdat we nog onvoldoende solidariteit tussen gemeenten hebben weten te realiseren zodat Ter Apel en Budel ontlast worden. In die zin is het, zoals ik in het begin van mijn bijdrage zei, voor mij van belang om allebei te doen. Ik ben aanspreekbaar op het nemen van instroombeperkende maatregelen. Daarvoor sta ik vandaag heel veel uren in uw Eerste Kamer. Tegelijkertijd ben ik ook aanspreekbaar op het realiseren van voldoende asielopvang. Daarvoor ben ik in gesprek met gemeenten. Ik hoop niet in de situatie terecht te komen waar u mij elke dag op wijst, namelijk dat ik het instrument van de Spreidingwet waarover ik ook beschik, moet inzetten.
De heer Van Hattem (PVV):
Het punt is nu juist dat de minister het heeft over "solidariteit tussen gemeentes" en zo, maar het probleem blijft de kraan die openstaat. Aan de asielinstroom moet paal en perk worden gesteld, als je er echt iets aan wilt kunnen doen. Dan moet inderdaad de voorliggende wetgeving er komen en is het belangrijk dat daarop ingezet wordt, maar die wetgeving moet nog worden ingevoerd. Volgende week gaan we er pas over stemmen. Op dit moment is het al belangrijk dat er iets gebeurt. Als de minister zegt "de situatie is acuut en kritiek", zoals hij in zijn brief aan de gemeentes aangeeft, dan zou je niet op deze wetgeving hoeven te wachten, maar kan de minister nu zelf ook al zeggen: wij gaan aanvullende maatregelen nemen. Mijn vraag is dus: als de situatie, zoals de minister zelf zegt, "acuut en kritiek" is, waarom neemt de minister dan nu nog geen aanvullende maatregelen?
Minister Van den Brink:
Zoals ik net betoogde, gaan wij eerst proberen deze wetgeving aangenomen te krijgen in uw Kamer. Daarna gaan we die wetgeving invoeren. Daarnaast zal ik in gesprek blijven met gemeentes. De beoordeling of nog extra maatregelen nodig zijn is aan het kabinet, maar op een later moment en niet nu.
De voorzitter:
Tot slot de heer Van Hattem.
De heer Van Hattem (PVV):
Maar wat zijn de woorden "acuut en kritiek" richting de gemeentes dan nog waard? Als iets "acuut en kritiek" is, dan moet je ook kunnen verwachten dat er aan de voorkant, dus aan de instroomkant, meer maatregelen worden genomen. Hoe "acuut en kritiek" is het dan? Ik vraag aan de minister wanneer het "acuut en kritiek" genoeg is om te zeggen "wij gaan wel aanvullende maatregelen nemen", wat de PVV betreft echt een asielstop.
Minister Van den Brink:
Ik ken de positie van de PVV ten aanzien van een asielstop. Er zijn ook al veel debatten geweest over de juridische ruimte die daarvoor wel of niet zou bestaan. Ik ken de voorbeelden die u noemt van Duitsland en Oostenrijk, maar ook in Duitsland en Oostenrijk is nog steeds sprake van asielaanvragen. Er is dus ook daar geen sprake van een asielstop. Als kabinetslid handhaaf ik mijn positie zoals ik die net verwoordde.
De heer Janssen van de SP heeft mij gevraagd wat de meerwaarde is van verschillende maatregelen die getroffen zijn in deze wetten. Hij noemde acht maatregelen. Om grip te krijgen op asielmigratie is sturing met een samenhangend pakket noodzakelijk. Dat is wat wij hier hebben neergelegd. De voorgestelde maatregelen in de Asielnoodmaatregelenwet maken deel uit van een breder pakket om de instroom te beperken. De maatregelen in deze wet, zoals het afschaffen van de vergunning voor onbepaalde tijd en het verkorten van de duur van de vergunning, zijn voorts van belang om ons asielbeleid te harmoniseren met dat van andere Europese lidstaten. Hiermee creëren we in Europees verband een gelijk speelveld en wordt Nederland niet onnodig aantrekkelijker als bestemmingsland.
De voornemenprocedure waar ik net al over sprak, is geen verplichting die volgt uit het Unierecht. Met het afschaffen hiervan wordt de procedure korter. Dat is een van de redenen waarom we dat doen, waardoor de IND met dezelfde capaciteit over meer asielaanvragen kan beslissen. Ook met andere maatregelen die in deze wet zijn opgenomen — het ongegrond verklaren bij het niet komen opdagen bij het gehoor, het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen — kan de asielketen direct worden ontlast.
De regering is ook van mening dat de ongewenstverklaring een aanvullende prikkel kan zijn om mensen te dwingen uit Nederland te vertrekken als zij ongewenst verklaard zijn. In situaties waar een verder handelingsperspectief ontbreekt, is de ongewenstverklaring daarnaast een instrument om crimineel en overlastgevend gedrag tegen te gaan, omdat we dan ook de optie van het strafrecht hebben. De instroom van asielzoekers is afhankelijk van een groot aantal factoren die ik net al noemde, maar dat neemt niet weg dat deze maatregelen in samenhang met elkaar wel degelijk een effect kunnen hebben zoals ik net aangaf.
De heer Van der Goot van OPNL … O, excuus, daar zit u! U zit op een andere plek dan vorige week. De heer Van der Goot heeft gevraagd naar de uitvoerbaarheid en of dit wel degelijk bijdraagt aan de problemen in de migratieketen. De maatregelen hebben tot doel om de instroom te verminderen en de asielketen te ontlasten. De invoering van het tweestatusstelsel vormt in eerste instantie een verzwaring voor de uitvoeringspraktijk en de rechtsspraak. Dat heeft u zelf ook betoogd. Anderzijds zijn er ook maatregelen — ik noem het afschaffen van het voornemen en van de dwangsom — die de keten direct ontlasten. Op termijn kunnen deze maatregelen dus in samenhang wel degelijk een effect hebben. Het is de verwachting dat de totale werklast hierdoor uiteindelijk zal afnemen, doordat er minder aanvragen worden ingediend.
Mevrouw Huizinga vroeg me nog of de vreemdeling straks nog toegang heeft tot een effectief rechtsmiddel. Dat ziet op het aangenomen amendement van de heer Van Dijk over de dwangsom. Als de bestuursrechter vaststelt dat niet tijdig op een aanvraag of bezwaar is beslist, behoudt die de mogelijkheid om het bestuursorgaan op te dragen om dit binnen een door de bestuursrechter te stellen redelijke termijn alsnog te doen. Deze mogelijkheid is in dat amendement met een nieuw voorgesteld artikel, artikel 71c Vreemdelingenwet, een verplichting geworden voor de bestuursrechter in plaats van een optie. De door de rechter gestelde termijn zal door de IND uiteraard serieus moeten worden genomen. Aan het niet naleven van de gestelde termijn zal als gevolg van het amendement echter geen dwangsom meer kunnen worden opgelegd — dat is wat het amendement dat is ingediend door de SGP in de Tweede Kamer wijzigt — maar vanzelfsprekend is het uiteindelijk aan de hoogste rechter om over de juridische houdbaarheid van het amendement definitief juridische zekerheid te bieden. De veronderstelling en de overtuiging bij de indieners van het amendement en bij de regering — dat is ook de reden dat het oordeel Kamer heeft gekregen bij de behandeling in de Tweede Kamer — is dat er dus een nieuwe uitspraak is van de Raad van State die die mogelijkheid wel degelijk zou bieden. Dat is de onderbouwing geweest van de indieners van het amendement en dat is ook de reden geweest dat de regering in de Tweede Kamer dat amendement oordeel Kamer heeft gegeven.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Begrijp ik nou goed dat u zegt: de dwangsom wordt afgeschaft en de bestuursrechter kan wel zeggen "je moet binnen die termijn beslissen", maar als dat niet gebeurt, is er verder geen dwangmiddel, en de hoogste rechter zal nu beslissen of dat nu wel of niet zo kan of dat het toch aangepast moet worden? Dat hoor ik u zeggen.
Minister Van den Brink:
Nou, laat ik het zo zeggen. Het amendement regelt dus het afschaffen van de dwangsom met de veronderstelling of de overtuiging dat dat kan op basis van een uitspraak van de Raad van State, maar daarbij weten we natuurlijk dat dat ongetwijfeld ook weer onderdeel zal worden van een nieuwe uitspraak van de Raad van State over of die inschatting correct is. Dat is natuurlijk wat dit amendement in die zin bijna uitlokt, omdat dit een aanpassing is van een eerder standpunt, de vorige positie die de Raad van State had.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Dus in feite is het zo: het amendement is aangenomen en de minister heeft het oordeel Kamer gegeven op hoop van zegen dat het niet toch weer afgeschaft zal worden.
Minister Van den Brink:
Nee, dat is dan weer net te kort door de bocht. De veronderstelling is dat er met de uitspraak van de Raad van State later dan de door u aangehaalde uitspraak wel degelijk een uitspraak ligt die die ruimte zou bieden.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Huizinga.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
We wachten het af.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb daar ook een vraag over gesteld in mijn inbreng. De uitspraak van de Raad van State zegt: dat kan je, als je een alternatief hebt. Nu presenteert deze wet nog geen alternatief en daarmee is natuurlijk duidelijk dat niet voldaan is aan de voorwaarde die de Raad van State heeft geformuleerd. Dat lijkt mij geen goede wetgeving, eerlijk gezegd.
Minister Van den Brink:
Er rust dus een verplichting op de bestuursrechter om de IND op te dragen binnen welke termijn die moet beslissen. Daarmee wordt verondersteld dat invulling wordt gegeven aan de verwachting dat je daarmee dus wel degelijk een rechtsmiddel hebt in kunnen zetten.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dat is natuurlijk willens en wetens niet willen horen wat de hoogste rechter eigenlijk al heeft gezegd. De hoogste rechter heeft gezegd: je kan de dwangsom afschaffen voor als de termijn niet wordt gerespecteerd, maar daarvoor moet je een alternatief bieden. U zegt dat het alternatief dat we bieden is dat de bestuursrechter moet zeggen: dan en dan moet je een besluit hebben genomen. Maar wat als dat dan niet gebeurt?
Minister Van den Brink:
Dan is in deze situatie met het aangenomen amendement dus geen dwangsom meer mogelijk. Dat geeft natuurlijk een enorme verlichting, omdat we miljoenen uitkeren op dit moment aan dwangsommen. Dat is natuurlijk een maatschappelijk probleem, waar op deze manier een oplossing voor is geboden. De verplichting rust daarmee echter wel degelijk op de IND en dus zal de IND daar ook naar moeten handelen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Karimi.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dat is natuurlijk om in de totale wetgeving alles open te laten, met open eindes, zodat de rechter uiteindelijk een oordeel moet geven. Dat is echt niet acceptabel. Bent u dat met mij eens?
Minister Van den Brink:
Nou, nee, niet helemaal. Er was eerder een uitspraak van het hof die dat verbood. Daarna is er een nieuwe uitspraak van het Hof van Justitie gekomen die die ruimte wel weer biedt. Dus er is wel degelijk vanuit de rechtspraak de ruimte geboden om met dit amendement te komen.
Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):
Een vraag aan de minister. Heb ik het correct dat inderdaad de bestuurlijke dwangsom vervalt, maar de gerechtelijke dwangsom gewoon kan blijven bestaan? Een rechter heeft nog steeds de mogelijkheid om een dwangsom op te leggen.
Minister Van den Brink:
De bestuurlijke dwangsom hebben we al afgeschaft bij asiel. Dit amendement is van toepassing op het gerechtelijke. Daar lopen we nu ook al met tientallen miljoenen achteraan elk jaar.
Mevrouw Van Toorenburg vroeg mij hoe de nieuwe asielprocedure, en daarbij een verkorte verblijfsvergunning, uitpakt voor mensen die hier tijdelijk zijn. Hoe geven wij hen de ruimte om te werken, de taal te leren en een onderdeel te worden van de samenleving? Het kabinet is er zeer van overtuigd dat dit noodzakelijk is. Ik noemde ook al in mijn inleiding dat we ons asielbeleid willen vormgeven op drie poten. De eerste is het beperken van de instroom. De tweede is de asielopvang op orde brengen. De derde is mensen sneller laten meedoen. Dus dit vinden we ontzettend belangrijk. Dit kabinet stimuleert dus asielzoekers en statushouders om actief deel te nemen en bij te dragen aan onze samenleving. Voor het kabinet is het van belang dat snel wordt gestart met taal en werk of school.
Ik noem een aantal plannen, zonder dat ik volledig kan zijn, want dan zou ik nog even bezig zijn. Zo krijgen kansrijke asielzoekers na drie maanden in de asielprocedure het recht om aan het werk te gaan. Ze krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling richting werk om sneller te kunnen integreren en te kunnen bijdragen aan de opvang. Dat is wel enkel voor de groep kansrijke asielzoekers. We starten direct aan het begin van de asielprocedure met taalles voor die kansrijke asielzoekers. Op de grote opvanglocaties komt een Meedoenbalie. Daar worden mensen in de procedure geholpen met taalles, vrijwilligerswerk of betaald werk.
Daarnaast hebben we de statushouder, die natuurlijk ook nog in het COA verblijft. We hebben plannen om de pilots met startbanen daarvoor uit te breiden. Statushouders krijgen direct een startbaan als springplank naar regulier werk, die ze combineren met de taallessen. Ten slotte is naturalisatie mogelijk langs twee lijnen. De eerste lijn is de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Die kan hij of zij verkrijgen na een periode van vijf jaar. Er kan natuurlijk daarnaast ook nog een verblijfsvergunning regulier voor onbetaalde tijd worden aangevraagd. In beide situaties zijn aanvullende voorwaarden van toepassing, onder andere op het gebied van middelen van bestaan. Maar eenmaal in het bezit van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, kan de vreemdeling een verzoek om naturalisatie indienen. Daarover hebben we in het regeerakkoord afgesproken dat dit dus ook kan na twee keer een tijdelijke vergunning van drie jaar in combinatie met een taaleis.
Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):
Als burgemeester — veel mensen weten dat ik burgemeester ben in de prachtige plaats Geertruidenberg — ontvang ik alle mensen die een diploma hebben gehaald voor de naturalisatieceremonies. Ik vind het heel erg belangrijk om dat vanuit de gemeente te doen. Twee dingen vallen me op. Het taalniveau is echt — sorry dat ik het zeg — erbarmelijk. Het is heel moeilijk om zelfstandig met mensen te spreken. Ze geven dat overigens ook zelf aan. Dus ze willen heel graag. Ik denk dat bepaalde examens te weinig laten zien wat echt nodig is om het in Nederland te maken. Gaat deze minister ook de gemeenten die kleinere azc's hebben hierin helpen? Hij geeft terecht aan dat er een balie komt bij grote gemeentes, maar door de Spreidingswet hebben we gelukkig ook een heleboel kleine, waardoor mensen echt kunnen integreren. Gaat hij met de minister van Binnenlandse Zaken ervoor zorgen dat we serieus werk kunnen maken van de inburgering? Daar hebben de mensen die hier smogen blijven echt recht op.
Minister Van den Brink:
Zeker. Wij hebben in het regeerakkoord middelen gereserveerd om die meedoenbalies uit te breiden. Dat gaan we in samenspraak met het COA doen. Het COA zal vanuit die verantwoordelijkheid en in samenwerking met gemeenten wel degelijk dingen aanbieden, ook op de kleinere locaties, zodat mensen sneller kunnen meedoen in onze samenleving.
De heer Dittrich (D66):
Nog even een vraag over die verkorting naar drie jaar. Wat betekent het voor de IND als die driejaarperiode is afgelopen? Wordt dan het hele dossier opnieuw bekeken om te kijken of er een verlenging in zit? Wat is de procedure?
Minister Van den Brink:
Ik hoorde de vraag van gisteren en vroeg me af waarom ik 'm nu niet gelijk voor me had. Hij komt waarschijnlijk straks in een ander mapje terug. Dit is voor de IND een lichte toets. Zij toetsen of er contra-indicaties zijn. De IND heeft het zo ingeregeld dat dit geen verzwaring van zijn werklast is. Het ziet vooral op contra-indicaties op het gebied van openbare orde en nationale veiligheid. Dat is de werkmethode die de IND hiervoor heeft gekozen.
De heer Dittrich (D66):
Dan heb ik nog een vraag over de andere kant, die van de vreemdeling zelf, die een verkorting heeft tot drie jaar. Hoe verhoudt zich dat tot de wil van het kabinet om integratie te bevorderen? Want ik kan me zo voorstellen dat iemand die gaat solliciteren een werkgever ontmoet die dan zegt: ja, maar we weten niet wat er na die drie jaar gebeurt, dus ik heb liever een andere werknemer. In hoeverre wordt de integratie bemoeilijkt door het verkorten van de termijn? Wat is de inschatting van het kabinet?
Minister Van den Brink:
Dit heeft te maken met hoe wij kijken naar onze samenleving en wat wij van iedereen verwachten. Dat is niet zozeer op de vergunning gericht. Daarom hebben wij in het coalitieakkoord met nadruk ook keuzes gemaakt om het hele stelsel te verbeteren. Ik noemde een paar dingen. We hebben de afgelopen tijd gewoon veel te weinig gedaan om mensen snel te laten meedoen, of je nu een kansrijke asielzoeker of een statushouder bent. Dit kabinet maakt keuzes om dat echt te verbeteren. We hopen dat dit echt een bijdrage levert voor al die kansrijke asielzoekers of statushouders die nog niet op die manier geholpen worden. Er is geen gebrek aan werk, dus we hopen dat we, door er meer effort op te zetten … Want deze mensen hebben wel extra ondersteuning en soms een zetje nodig. Daarom versterken we onze aanpak.
De voorzitter:
De heer Dittrich, tot slot.
De heer Dittrich (D66):
Dat begrijp ik. Alleen, als je de termijn verkort, heb je de integratie nog niet bevorderd. Dat mensen dan opeens sneller gaan integreren, is natuurlijk een vorm van wensdenken. Er zullen dus additionele maatregelen nodig zijn om dat te bereiken. Kunt u daar een overzicht van geven?
Minister Van den Brink:
Een van de maatregelen die wij extra treffen om mensen sneller mee te laten doen, is om mensen na drie maanden te laten werken. Dat is ten opzichte van de afgelopen jaren echt een enorme verbetering. Verschillende fracties die hier zitten, hebben ervoor gestreden om de wettelijke beperking hierop eraf te halen. Dus die mensen gaan na drie maanden al aan de slag. We starten taallessen voor kansrijke asielzoekers. Op de grote opvanglocaties komen Meedoenbalies. We gaan de pilots met startbanen voor vluchtelingen uitbreiden in verschillende gemeenten. We hebben ons als kabinet georganiseerd in taskforces. Dat is een nieuwe aanpak; laat ik het zo zeggen. Het moet zich nog bewijzen, maar we zijn er volop mee bezig. In de taskforce Migratie heeft de minister van Werk en Participatie zichzelf echt tot doel gesteld om het hele vraagstuk van sneller meedoen in de samenleving voor de zomer al te presenteren. Daar zal deze aanpak echt een onderdeel van zijn.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Het is goed dat de minister erop wijst dat mensen in een azc na drie maanden aan het werk mogen. Dat is een grote verbetering. Erkent de minister dat dat voor statushouders heel anders is? Die zijn soms wel vijf, zes, zeven jaar door heel Nederland gesleept. Ze hebben nooit ergens een kans gekregen om te integreren. Wat gaat de minister daaraan doen? Ik heb dat meegemaakt in Oegstgeest, waar ik ben geweest bij de behandeling van de Spreidingswet. Dan zie je dus dat die mensen al overal zijn geweest en nooit een kans hebben gekregen, terwijl de mensen in azc's die kans nu wel krijgen en na drie maanden mogen werken. Wat gaat de minister daaraan doen? Ik vind dat heel schrijnend.
Minister Van den Brink:
Ja. Daar legt u de vinger op de zere plek. Dat is een van de redenen waarom ik het tweede doel van het kabinet zo duidelijk geformuleerd heb: rust in de asielketen, rust in de opvang. Ik weet dat ik nog lang niet bij mijn ideaalplaatje ben, maar dat is wel een van de redenen om met deze klus aan de slag te gaan. Als wij rust in de opvang weten te brengen, als er dus een duidelijke opgave ligt voor gemeenten die daar ook voor gaan staan en daarmee aan de slag gaan, en als we voldoende opvangcapaciteit hebben, dan zou het zo moeten zijn dat je bij ongeveer 25.000 asielaanvragen per jaar weet hoe groot die opgave is voor een bepaalde gemeente. Als je daar een bepaald inwilligingspercentage aan koppelt, weet je hoeveel asielzoekers statushouders worden. Ik maak er een beetje een wiskundige formule van. Dan staat de gemeente ook voor de inburgeringstaak wat betreft taal en integratie en daarna naar werk. Dat is mijn ideaalplaatje. Ik hoop dat ons asielstelsel op den duur zo functioneert. Als u mij nu naar een datum vraagt, dan zal ik heel eerlijk zijn. Daar zijn we nog lang niet, zolang wij nog te maken hebben met allerlei noodopvang. Dit is hoe het zou moeten werken. Daarom ben ik ook zo'n voorstander van de Spreidingswet. Daarmee zou je dit hele systeem op gang kunnen brengen.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ik vroeg niet naar een datum. U heeft het over "op den duur". U deelt met mij dat het een schrijnend probleem is. Het is ongelooflijk dat tienduizenden statushouders die vijf tot zeven jaar door Nederland gesleept zijn nooit ergens een kans hebben gekregen om te integreren. Nu dat voor azc's wel gaat gebeuren, is dat dan geen reden om daar met hoge prioriteit naar te gaan kijken? Kan de minister misschien toezeggen dat hij daar met de volgende begroting, in het najaar, aandacht aan geeft, zodat we daarover kunnen debatteren? Misschien kan hij ook inzicht geven in de manier waarop hij dat op termijn als een oplossing ziet.
Minister Van den Brink:
Zeker. Ik zei net aan de heer Dittrich en mevrouw Van Toorenburg toe dat de wijze waarop wij als kabinet dat hele meedoen ter hand willen nemen daar ook een belangrijke bijdrage aan levert. U heeft het over de statushouder die al vijf tot zes jaar door Nederland heeft gereisd en is gesleept. Die heeft in het verleden ook niet die toegang gehad tot werk, omdat we daar allerlei beperkingen op hadden liggen. Die beperking gaat eraf. In de tijd dat hij nog in z'n asielprocedure zou zitten, zou hij nu al kunnen werken. Als dat als statushouder door kan lopen, zou dat natuurlijk ideaal zijn. Zo zou het kunnen gaan functioneren. Ik zeg u toe dat ik daar bij de begroting op zal terugkomen, want dit is een van de prioriteiten van dit kabinet.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Zegt u nu dat die beperkingen eraf gaan? Die gaan er op termijn af.
Minister Van den Brink:
Die gaan er nu af.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Die gaan er nu af?
Minister Van den Brink:
Ja, er ligt een wetsvoorstel van de minister van Werk en Participatie om kansrijke asielzoekers met drie maanden aan de slag te laten gaan. Dat zweeft ergens in de wetgeving rond.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Kunt u ons toezeggen dat wij ook in de Eerste Kamer informatie daarover krijgen?
Minister Van den Brink:
Ja, zeker.
De heer Janssen i (SP):
Nog even op dit punt. Wij zijn er groot voorstander van dat mensen sneller aan het werk kunnen en ook meteen de taal leren. Als asielzoekers na drie maanden aan de slag mogen, is de minister dan ook bereid om gemeenten erop aan te spreken die die mensen wel graag naar binnen willen halen om het werk te doen, maar vooral niks willen weten van een azc? Is de minister bereid om die gemeenten daarop aan te spreken?
Minister Van den Brink:
Ik denk dat ik aan het einde van het debat een heel lijstje heb van mensen die ik moet aanspreken. Dit is onderdeel van het overleg dat we met gemeenten hebben. Ik heb, zoals u heeft kunnen lezen, de gemeenten een brief gestuurd met mijn vraag naar opvang. Ik heb hun vorige week laten weten hoe de eerste ronde van de Spreidingswet is verlopen. Bij die opgave hoort ook dat er, op die locaties waar opvang is geboden, aandacht is voor meedoen, taal en werk. Dit is dus zeker een onderdeel van dat gesprek.
De heer Janssen (SP):
Dat is eigenlijk het omgekeerde. Als er al een locatie is, moet er ook werk en taal zijn.
Minister Van den Brink:
Ja, daar begint het wel mee.
De heer Janssen (SP):
Maar het omgekeerde is ook het geval. Ik trek de parallel met arbeidsmigranten. Er zijn gemeenten die heel graag al die arbeidsmigranten binnen willen halen, maar van wie die 's avonds vooral weer heel snel moeten vertrekken om in een andere gemeente onderdak te zoeken, wat dan vaak onder de meest erbarmelijke omstandigheden is. Ik waarschuw daarvoor. Ik vraag de minister of hij bereid is om gemeenten aan te spreken bij wie de arbeidskrachten van harte welkom zijn, omdat ze die goed kunnen gebruiken, maar die vooral geen azc willen.
Minister Van den Brink:
Helder. Ik snap nu beter wat u bedoelt. Ook deze variant van aanspreken zal ik erbij betrekken. Als gemeenten denken op deze manier gebruik te kunnen maken van arbeidskrachten op titel van het COA, dan brengt dat natuurlijk ook een verplichting met zich mee om opvang te bieden.
De heer Van Hattem (PVV):
Ik hoorde de minister net zeggen dat hij vanwege dat meedoenverhaal ook zo'n groot voorstander is van de Spreidingswet, terwijl in het regeerakkoord is opgenomen dat het wel de bedoeling is om die Spreidingswet af te schaffen. Is de minister de basis, de insteek van die Spreidingswet nu eigenlijk niet nog verder aan het verbreden om die toch maar verder door te drukken? Want daar lijkt het nu wel op.
Minister Van den Brink:
Nee. In die zin kan ik u geruststellen. Ik ben voorstander van de Spreidingswet omdat het op dit moment niet functioneert. Maar ik zou heel graag teruggaan naar de periode dat er in Nederland geen Spreidingswet nodig was, gemeenten hun verantwoordelijkheid namen, er geen gevoel was dat de ene gemeente meer deed dan de andere en niet het hele gevoel van solidariteit weg was tussen de bestuurlijk verantwoordelijken in Nederland. Daar streeft het kabinet naar. Het kabinet streeft naar rust in de opvang waardoor de Spreidingswet overbodig wordt. Dat doel streef ik zeker na. Maar op dit moment heb ik die nog wel nodig.
De heer Van Hattem (PVV):
De beste manier om de Spreidingswet overbodig te maken is de instroom fors terugdringen — dat lijkt me het belangrijkste om te doen — en niet heel Nederland opzadelen met nog meer azc's en van heel Nederland één groot azc maken. Maar het punt is het volgende. Er wordt gezegd: we gaan al met Meedoenbalies aan de slag. Er komen vervolgens voor ik weet niet hoeveel geld jobcoaches te zitten, die die mensen moeten gaan begeleiden. Die hele asielindustrie wordt weer opgetuigd. We hebben de afgelopen jaren maatregelen gezien, zoals de Wet taaleis. Die werd gewoon niet gehandhaafd. Er werden gewoon geen boetes opgelegd aan mensen die het vertikten om de Nederlandse taal te leren. Kijk naar de bijstand. Somaliërs, Eritreeërs zijn massaal oververtegenwoordigd in de bijstand. Ik noemde ze gisteren al de "oververtegenwoordigden". Dan hoor ik toch graag van de minister waarom we nu allerlei zaken als Meedoenbalies optuigen terwijl we al instrumenten hadden. Waarom wordt er niet gewoon meer eigen verantwoordelijkheid gevraagd van degenen van wie mag worden verwacht dat ze hier zelf zorgen voor werk en de taal leren? Waarom worden er weer allerlei maatregelen genomen om ze maar in de watten te leggen?
Minister Van den Brink:
Dat laatste is zeker niet de bedoeling. De bedoeling is juist om mensen eerder te laten integreren dan we tot nu toe deden, om te voorkomen dat er later enorme bijstand ontstaat. Dat hele doel van het snelle meedoen is juist integratie, meedoen, bijdragen, werken en belasting betalen, zodat ze echt een onderdeel worden van de samenleving over de volle breedte en ze niet alleen opvang ontvangen. Met de inkomsten die ze ontvangen, dragen ze ook weer bij aan de opvangkosten binnen het COA. Ook daar hebben we regelingen voor. Ik zie het dus veel meer als een verbetering waardoor uiteindelijk de hele samenleving er beter van wordt dan, zoals u suggereert, als een verslechtering.
De voorzitter:
De heer Van Hattem, tot slot.
De heer Van Hattem (PVV):
Dan krijgen we straks de volgende situatie. Dan heb je zo'n azc, er is een Meedoenbalie, er wordt van alles opgetuigd en er worden afspraken gemaakt met werkgevers over het aannemen van asielzoekers. Dan vinden ze werk in de omgeving van het azc. Bij werk komt ook vaak huisvesting om de hoek kijken. Krijg je dan niet nog extra druk op de lokale woningmarkt rond azc's? Nog meer asielzoekers vragen en krijgen daar dan voorrang voor woningen. Dat is uiteindelijk het effect dat je bewerkstelligt. Kan de minister dat effect uitsluiten?
Minister Van den Brink:
Ja, want aan de andere kant — dat is wat we vandaag bespreken — nemen we maatregelen om de instroom te beperken. In die zin zou de instroom ook lager moeten zijn. Uiteindelijk gaat het om een kleinere groep, en die kleinere groep laten we dan meer meedoen. Dat is de optelsom van de maatregelen van vandaag en de aanpak om mensen sneller te laten meedoen; die toelichting heb ik net gegeven.
De heer Lievense i (BBB):
Mijn vraagt ligt in het verlengde van de laatste vraag van de heer Van Hattem en de beantwoording van de minister daarop. Gisteravond — het was nogal laat — hadden we het tussen de telefoontjes van de heer Dittrich door ook over de Spreidingswet. Er mag ook gelachen worden, hè? Dat konden we gisteravond laat nog even, meneer Dittrich, om uw telefoon! Daardoor reed ik gisteravond wat meer opgefleurd naar huis, maar goed. Ik gaf gisteravond ook aan dat er vervreemding ontstaat wanneer inwoners het gevoel krijgen dat zij disproportioneel bijdragen aan een nationaal probleem; ik ben blij dat het er hier even over gaat. Ik gaf Zierikzee als voorbeeld. Ik gaf als voorbeeld dat we daar een noodopvang hebben gebouwd voordat de Spreidingswet bestond, waarop hier keurig werd uitgelegd: als iedereen het zo had gedaan, was er geen Spreidingswet nodig geweest. Nu komt er op datzelfde eiland een verzoek voor nog eens 250 mensen. Ondertussen kunnen we blijkbaar geen noodopvang bouwen voor onze eigen inwoners. Dat was het punt dat ik namens mijn fractie, BBB, gisteren wilde maken. Ik snap dat u het binnen uw portefeuille bekijkt en het een oplossing vindt, maar als ik het breder bekijk en ook kijk naar de woonminister, dan zie ik dat er binnen onze bevolking vervreemding ontstaat als de ene club wel snel geholpen wordt en de andere niet. Ik zat net een mail te lezen van iemand die schrijft dat het best een moeilijke weg was om in Nederland te komen. Het is een prachtige mail. Deze persoon heeft achttien maanden in een asielzoekerscentrum gezeten en moest daarna ook nog eens negen maanden wachten op een woning. Ik snap dat dat voor iemand die gevlucht is een lange termijn is, maar ik ken verhalen van jongeren die vijf tot tien jaar op de wachtlijst staan voor een woning. Dat is het punt dat ik gisteravond laat wilde maken over die vervreemding. Hoe denkt de minister daarmee om te gaan binnen het kabinet?
Minister Van den Brink:
U legt de vinger wel bij een gevoelig thema, namelijk het gevoel dat we in de samenleving elkaars concurrenten op schaarste zijn geworden. Dat bedoelde ik ook met de spankracht van de samenleving in mijn inleiding. In die situatie zijn we terechtgekomen. Binnen de samenleving is er het gevoel van: jij hebt meer rechten dan ik; ik moet langer wachten dan jij. Die spanning wegnemen uit de samenleving zie ik als een van mijn grootste opdrachten. Daarom verdedig ik deze maatregelen vandaag vol overtuiging. Tegelijkertijd moeten we een paar dingen netjes oplossen; we moeten fatsoenlijke opvang bieden. Als we dat met elkaar weten te bereiken, kan die spanning in de samenleving hopelijk wat lager worden. In die zin dienen we een belangrijk doel, want dan heb je de vervreemding ook op een veel minder grote schaal.
Mevrouw Kaljouw vroeg naar de versnelling van de procedures, het beperken van de instroom, welke andere maatregelen er worden overwogen op korte termijn en hoe wij dat kunnen realiseren. Met de Asielnoodmaatregelenwet die vandaag voorligt, wordt het voornemen afgeschaft. Dit betekent een aanzienlijke versnelling van de besluitvorming. Daarnaast biedt deze wet ook handvatten om herhaalde aanvragen sneller af te handelen. De aanvraag van asielzoekers die zonder goede reden niet komen opdagen voor hun gehoor, waardoor de IND enorm veel extra uren maakt en er sprake is van verspilling van menskracht, kan versneld inhoudelijk worden afgehandeld. Op korte termijn treedt ook het Europees Migratiepact in werking. De procedure kent kortere termijnen voor het behandelen van kansarme aanvragen. Daarnaast wordt met het pact de IND-asielprocedure herzien en opnieuw ingericht, met als doel een nog snellere afhandeling van asielaanvragen. We komen daar binnenkort nog uitvoerig over te spreken, maar dit zijn, samen met het pact, twee belangrijke maatregelen die we treffen.
Mevrouw Van Bijsterveld vroeg hoe wij een einde kunnen maken aan het systeem van mensensmokkel. Hoe kunnen wij de mensensmokkelaar uit het systeem halen en buiten Europa de asielaanvragen realiseren? We hebben dat ook als doel in ons regeerprogramma staan. Het uiteindelijke doel is dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld. Dan hoeven er in Nederland geen asielprocedures meer te worden doorlopen. Erkende vluchtelingen kunnen via hervestiging worden verdeeld over Europa, waar ze met de vluchtelingenstatus hun leven opbouwen. Zo kunnen we het wrede verdienmodel van mensensmokkelaars op de Middellandse Zee doorbreken. Tegelijkertijd hebben heel veel partijen dit de afgelopen jaren al opgeschreven en dit vergt wel enorme diplomatieke inspanningen. Binnenkort zal ik, als ik weer in andere landen ben dan wel bij de Verenigde Naties, hierover overleg hebben, want dit vergt wel een aanpassing van bestaande stelsels in het vluchtelingenrecht.
U vroeg ook of deze wetten de instroom daadwerkelijk naar beneden gaan brengen. Ja, daar zijn wij van overtuigd. Zoals ik heb verwoord, mag van de maatregelen een belangrijk instroombeperkend effect worden verwacht, met name ten aanzien van nareis, waar we zo meteen ook over komen te spreken. Over de specifieke voorwaarden komen we nog nader te spreken.
U vroeg ook naar de invoering van het pact. De IND heeft aangegeven het pact te willen naleven vanaf 12 juni. Dat snap ik ook heel goed. Daarmee wordt de invoering van zo'n grote hervorming ook op een goede manier vormgegeven. We verwachten dat de andere landen in Europa dat ook zullen doen. Dat betekent niet dat de aanvragen die er nog liggen ... Dat zijn er helaas wel veel, want we spreken natuurlijk vandaag — ik zei het al in mijn inleiding — vanuit een situatie waarin het al lange tijd niet goed gaat aan de aanvraagkant en bij de behandeling van de aanvragen. Maar er komt geen pardonregeling die daar een oplossing voor gaat bieden. Het blijft gewoon bij de behandeling van asielaanvragen.
Mevrouw Kaljouw vroeg ten slotte naar het inwilligingspercentage. Waar Nederland tot een aantal jaren geleden in vergelijk met andere EU-landen relatief hoog zat met haar inwilligingspercentage, is dat de laatste jaren niet meer het geval. Het inwilligingspercentage van eerste asielaanvragen waarop in 2025 is beslist is tot nu toe 34%. Dat was in 2024 54% en daarvoor nog hoger. Er is dus echt een flinke afname op dit moment. Hierop kan van invloed zijn geweest dat in maart 2024 het asielbeoordelingskader op onderdelen is aangepast, waarbij onder meer de geloofwaardigheidstoets beter in lijn werd gebracht met het Unierecht en de praktijk van andere lidstaten. Tegelijkertijd weten we natuurlijk ook dat het inwilligingspercentage vooral samenhangt met de nationaliteit en het profiel van de asielzoeker die de aanvraag indient.
Mevrouw Kaljouw vroeg ook nog naar de registratie. Dat is echt iets wat het pact betreft, dus toch even een paar woorden over wat daarin wordt geregeld. Het pact schrijft inderdaad voor dat een persoon in de toekomst door één lidstaat wordt gescreend. De tijdens het screenen opgehaalde informatie wordt opgeslagen in de Europese database, zeg maar de Wet biometrie, maar dan wat groter, om maar even die verwijzing te maken. Dat geldt voor vingerafdrukken. De wat zachtere informatie wordt enkel genoteerd op een zogenaamd screeningsformulier. Er is op dit moment noch door de Europese Commissie, noch door een operationeel EU-agentschap een systeem ingericht waarin die screeningsformulieren worden opgeslagen of uitgewisseld tussen lidstaten. Daar is dus nog werk aan de winkel.
Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat wanneer een persoon zonder toestemming doorreist naar een andere lidstaat, die lidstaat wel de mogelijkheid heeft om de eerder in de database opgeslagen gegevens te verifiëren dan wel zelf te onderzoeken. Deze ruimte zullen wij ook nemen, want daarmee kunnen wij goed zien vanuit welke lidstaat iemand deze kant op komt. Maar ik kan u zeker toezeggen dat ik de zorgen die er nog zijn over hoe we die gegevens uitwisselen, zal meenemen in de besprekingen die ik heb met mijn Europese collega's in de JBZ-Raad.
Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):
Even voor mijn beeldvorming. We hebben nu al een probleem vanuit het Dublinverdrag, waarmee mensen eigenlijk naar hun eerste land van aankomst teruggestuurd zouden moeten kunnen worden. Dat gebeurt niet. Hoe ziet de minister dat ten opzichte van deze maatregel?
Minister Van den Brink:
Het pact gaat daar enorm in helpen, omdat de Screeningsverordening een verordening is met directe werking, en dus moet iedereen die in Europa aankomt en een asielverzoek doet, gescreend worden. Die biometrische informatie is uitwisselbaar. Daarmee kan via de screening gecheckt worden waar een Dublinclaimant die naar Nederland komt, zijn eerste aanvraag heeft gedaan. Daarmee ontstaat een veel sterkere manier om lidstaten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor de aanvraag die bij hen als eerste is gedaan.
De heer Dittrich (D66):
De minister had het over wat er op 12 juni allemaal moet gebeuren als het pact in werking treedt. Nu heb ik gelezen dat er een prognose is dat op 12 juni van dit jaar nog iets van 6.000 alleenstaande minderjarige vreemdelingen op hun beslissing zitten te wachten. We lazen in de stukken dat de IND op 12 juni schoon schip wil maken; onder de nieuwe aanvragen wil de IND geen achterstanden meer laten oplopen. Dat is begrijpelijk, maar wat betekent dat dan voor die groep van 6.000 alleenstaande minderjarige vreemdelingen? Moeten die dan achteraan in de rij aansluiten? Sommigen van hen zitten al jaren op een beslissing te wachten. Dat lijkt mij een groot probleem, ook voor de integratie van die alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Kan de minister daar wat over vertellen?
Minister Van den Brink:
U bent goed geïnformeerd. Een van de gesprekken die ik op dit moment voer met de IND gaat over hoe je aan de ene kant je verplichting onder het pact invult, en hoe je aan de andere kant verder moet gaan met de aanvragen waarover je nog niet hebt beslist. Dat heeft natuurlijk een effect op elkaar. Ik ben daarover in gesprek en heb de Tweede Kamer al toegezegd dat ik in een brief in mei zal toelichten hoe ik dat ga doen. De groep die u noemt, heeft mijn bijzondere aandacht en ligt dus ook voor mij vooraan in het gesprek met de IND over hoe we hiermee om moeten gaan. Ik kan u nog niet zeggen hoe ik daar precies mee omga, maar ik ben dit gesprek aan het voeren en ben mij zeer bewust van de kwetsbaarheid van precies deze groep.
De heer Dittrich (D66):
Dank voor dit antwoord. Laat ik het dan zo formuleren. D66 in deze Kamer hecht er heel veel belang aan dat die groep niet verder achteropraakt en, sterker nog, dat die goed geholpen wordt. We wachten dus met belangstelling de brief van de minister af. Stuurt u die brief ook naar de Eerste Kamer?
Minister Van den Brink:
Bij dezen.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Ik had in mijn bijdrage nog een vraag gesteld. De beide wetten die we nu behandelen, komen voor een groot deel overeen met wat in het pact staat. Dat blijkt ook uit het feit dat de vragen nu al allemaal over het pact gaan. Althans, een aantal daarvan. Waarom hebt u niet besloten om dat één geheel te maken en deze wetten niet meer te behandelen?
Minister Van den Brink:
Je zou het leiding kunnen noemen, maar ik heb hier dus een mapje voor me van deel twee. Daar ga ik naartoe en de eerste vraag is van mevrouw Huizinga.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Perfect, dan wacht ik dat af. Heel mooi.
Minister Van den Brink:
Die vraag is: waarom heeft de regering er niet voor gekozen om een tweestatusstelsel te introduceren volgens de minimumnorm van het pact? Hoe u het aanvoelt, weet ik niet, maar het is knap.
De voorzitter:
Bent u nu ook al bij blok twee?
Minister Van den Brink:
Als het mag.
De voorzitter:
Ja, graag. Blok twee.
Minister Van den Brink:
Blok twee: het tweestatusstelsel en de nareisvoorwaarden. Precies de vraag die mevrouw Huizinga stelde, ligt bovenop. Ik kan het niet mooier maken. De specifieke voorwaarden die kunnen worden gesteld aan de nareis van gezinsleden die ik hier vandaag voorstel in het tweestatusstelsel, worden niet door het Europees Asiel- en Migratiepact gevraagd. Dus op dat vlak is er geen wijziging … Of nee, ik moet het goed formuleren. De nareisregels veranderen niet door het pact. De gezinshereniging laat expliciet toe dat aan de nareis van gezinsleden van subsidiair beschermden striktere voorwaarden kunnen worden gesteld dan aan de nareis van gezinsleden van vluchtelingen. Dit is dus ruimte in het Unierecht waar dit kabinet gebruik van maakt voor dit voorstel dat wij hier vandaag met elkaar bespreken. Die wijziging brengt het Nederlandse asielbeleid meer in lijn met dat van andere lidstaten, wat ik al eerder heb verwoord.
Dan krijg je natuurlijk wel vragen — die zijn door heel veel partijen gesteld, door mevrouw Perin-Gopie en door vele anderen — over hoe deze wetsvoorstellen zich dan tot internationale regelgeving en verdragen verhouden. Deze wetsvoorstellen zijn opgesteld met inachtneming van alle internationale rechten, waaronder het Unierecht en de relevante verdragen. Het Nederlandse asielbeleid wijkt op een aantal onderdelen af van dat in de ons omringende lidstaten en gaat ook verder dan moet op basis van het Unierecht. Met deze wetsvoorstellen brengen we het Nederlandse beleid meer in lijn met dat van andere lidstaten, terwijl nog steeds aan de minimale Europeesrechtelijke normen wordt voldaan. We maken dus gebruik van de ruimte die het Unierecht en de verschillende verdragen bieden.
Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):
Ik ga even terug naar voordat de minister mijn vraag begon te beantwoorden. Ik heb de minister nu al meerdere keren in dit debat horen zeggen dat het argument om met deze wetten te komen is het beleid te harmoniseren met wat EU-lidstaten doen en het in lijn te trekken met een aantal landen. Dat is iets anders dan harmoniseren met EU-regelgeving. Voor die harmonisatie binnen de EU hebben we natuurlijk het Migratiepact. De minister is toch niet aan het harmoniseren als niet alle lidstaten hetzelfde beleid voeren?
Minister Van den Brink:
Nou, laten we kijken naar hoeveel lidstaten een tweestatusstelsel hebben. Volgens mij is het gisteren al door mensen genoemd. Nederland is het enige land met een eenstatusstelsel. Dus in die zin harmoniseren wij wel degelijk met de invoering van een tweestatusstelsel. Daar bovenop kiezen wij voor een nareisbeperking, omdat wij zien dat wij met de grote groep mensen die hier naartoe gekomen zijn, die nu nog in de opvang zijn en die nog gaan komen de hele asielketen, om dat woord even te gebruiken, niet goed functioneert. Dus die optelsom maakt dat het kabinet deze maatregelen voorstelt. Daarmee erken ik dat de nareisbeperkingen op zichzelf niet verplichtend zijn vanuit het Europese Migratiepact. De verplichting uit het Europese Migratiepact ziet enkel op het tweestatusstelsel dat je in dient te voeren. Daarmee kunnen wij dus niet langer doorgaan met het eenstatusstelsel dat we hadden. Maar de nareisbeperkingen die hier worden gekozen zijn nationaal recht. Daarom is het ook zo belangrijk om dit vandaag te bespreken. Het is invulling van het nationaal recht.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Harmonisering van wet- en regelgeving binnen de EU is iets anders dan een soort taalbingo spelen over wie er allemaal een tweestatusstelsel in zijn regelgeving heeft opgenomen. Het gaat er dan om dat je het op eenzelfde manier doet om eenzelfde doel te realiseren. Het tweestatusstelsel dat de minister hier voorstelt is niet hetzelfde tweestatusstelsel als andere lidstaten voeren en is ook niet iets wat van het Migratiepact moet. Daarin is niet opgenomen dat dat moet, dat op een andere manier beoordelen. Als je dat wilt harmoniseren, zou dat in lijn moeten zijn met hoe andere lidstaten tot een oordeel komen. Dat andere lidstaten het ook een tweestatusstelsel noemen, betekent geen harmonisatie als het niet op dezelfde manier gebeurt. Ik vraag de minister dus waarom deze wet er moet komen. De minister wil heel graag harmoniseren met het EU-beleid. In de ogen van Volt is het Migratiepact meer dan voldoende, want daarmee harmoniseren we het juist allemaal.
Minister Van den Brink:
Ja, maar zonder er een taalbingo van te willen maken: met wie harmoniseer je? U zegt dat je alleen harmoniseert als je het Migratiepact invoert. Ik probeer de opbouw van uw redenering te volgen. Daar zou ik dan tegen inbrengen dat alle andere lidstaten dat ook niet doen enkel en alleen door het Migratiepact toe te passen. Alle andere lidstaten hebben ook allerlei andere nareisbeperkingen of voorwaarden in de vergunning, of iets dergelijks. Een heel aantal lidstaten doet voorstellen die vergelijkbaar zijn met die van ons. Maar het is een keuze die wij zelf maken.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ik ben heel blij dat de minister eigenlijk toegeeft dat hij niet aan het harmoniseren is en toegeeft dat alle lidstaten het dus op hun eigen manier doen, en dat Nederland het dus nog strenger doet dan andere lidstaten.
Minister Van den Brink:
Nee, dat heb ik niet gezegd.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Daarmee wordt de harmonisatie, het doel dat het overal gelijk is, dus niet gerealiseerd. Er is een of andere vage hoop dat mensen tot in detail weten hoe de verschillende statusstelsels in alle lidstaten werken, waarmee dan de instroom wordt beperkt. Ik vind het echt heel ongeloofwaardig.
Minister Van den Brink:
Ik heb echt het gevoel dat ik nu een antwoord heb gegeven waardoor er daarna een redenering komt en een conclusie kan worden getrokken. Als u dat wilt doen, mag het. Maar volgens mij harmoniseer je doordat je met een aantal lidstaten om je heen hetzelfde doet. Tegelijkertijd erken ik volmondig dat de nareisbeperkingen niet strekken uit het Europees Migratiepact. Tot zover zou ik de harmonisatie willen uitleggen, maar niet meer of niet minder dan dat.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dank voor de antwoorden op de scherpe vragen van collega Perin. Ik denk dat daarmee het fabeltje de wereld uit is van de strenge rechtsgevolgen en de verschillen die worden verbonden aan de twee statussen, en dat dit het gevolg van het pact zou zijn. Dat was het verhaal tot nu: het pact zou dat voorschrijven. Dat is dus uit de wereld. Het is een politieke keuze om deze scherpe en zeer vergaande nareismaatregelen te treffen. U heeft gezegd dat dit allemaal nog binnen het Unierecht valt. Daar ben ik op ingegaan en ik heb vooral gerefereerd aan de prejudiciële vragen die nu vanuit België voorliggen bij het Hof. Wil de minister daarop reflecteren?
Minister Van den Brink:
Ik ga op al uw vragen reflecteren, dus ik kom vanzelf op de Belgische situatie. Maar wilt u 'm met voorrang behandeld hebben?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ja, u bent nu bezig met de nareisregels. U beweert dat die volgens het Unierecht zijn. Er is grote twijfel dat die passen in het Unierecht en het principe van non-discriminatie. U maakt dus verschil tussen twee vluchtelingengroepen, met heel vergaande gevolgen. Mensen moeten nu al twee jaar wachten totdat er een besluit genomen wordt. Nadat er een besluit genomen is over hun status, moeten ze nog een keer twee jaar wachten totdat ze met gezinshereniging kunnen beginnen. En dan moeten ze ook nog voldoen aan additionele eisen van inkomen en huisvesting. Feitelijk betekent dit dat mensen zeven, acht of misschien negen jaar moeten wachten totdat ze gezinshereniging kunnen realiseren. Daar zou ik graag antwoord op willen hebben.
De voorzitter:
Gaat u die vragen nu beantwoorden?
Minister Van den Brink:
Jazeker. Ik ga alle vragen over de nareis beantwoorden. Er zijn heel veel vragen gesteld en deze horen daar zeker bij. Meerdere partijen hebben gevraagd in hoeverre dit binnen het Unierecht valt. De Gezinsherenigingsrichtlijn maakt onderscheid tussen een subsidiair beschermde en een vluchteling. Dat onderscheid blijft bestaan onder het Asiel- en Migratiepact. Tegelijkertijd kun je daar verschillende voorwaarden aan verbinden. Dat is in verschillende lidstaten ook gedaan. Enkel het feit dat er in België prejudiciële vragen gesteld zijn, maakt niet dat het niet uitvoerbaar zou zijn. In andere lidstaten bestaat het namelijk wel degelijk, tot op de dag van vandaag. Ook daar zijn zaken over gevoerd. Dus het kabinet heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de toepassing die wij kiezen niet past binnen het Unierecht. Wij zullen de prejudiciële vragen aan het Hof dus met belangstelling volgen, maar we gaan ervan uit dat het onderscheid houdbaar is, ook omdat het in andere landen al is toegepast.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Als er prejudiciële vragen voorliggen, schrijft het Unierecht wel voor om in ieder geval op de antwoorden te wachten. Kunt u daarop ingaan? Het kan zijn dat andere landen dat ook uitgevoerd hebben, maar dat is natuurlijk nog geen bewijs dat dit volgens het Unierecht is gebeurd, want die prejudiciële vragen worden nú gesteld.
Minister Van den Brink:
Ja, maar ze worden gesteld vanuit de Belgische situatie. De Nederlandse situatie wordt niet voorgelegd in prejudiciële vragen. Het gaat om de Belgische situatie. Daar wordt een uitspraak over gevraagd, prejudicieel. Daarbij wordt er dus om een verduidelijking gevraagd. Dat is eigenlijk wat het doet. Daarna moet de Belgische regering zich daartoe verhouden in de wijze waarop zij haar beleid vormgeeft. Het is dus sowieso niet vergelijkbaar met de Nederlandse situatie. Er zijn alleen overeenkomstige zaken, zoals wij die hier vandaag bespreken, die in die situatie aan de orde worden gesteld. Maar mij is niet bekend dat er om die reden nu geen voortgang kan worden geboekt in Nederland op de invoering van deze maatregelen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Karimi.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
U kunt ervoor kiezen — ik zeg ook niet dat dat niet kan — maar het Unierecht verlangt dat u vanuit het loyaliteitsprincipe ten opzichte van het Unierecht zegt: zolang mij niet duidelijk is of ik volgens het Unierecht aan het handelen ben, kan ik een pas op de plaats maken. Dat was mijn verzoek, naar aanleiding van het advies van de Commissie Meijers: wilt u met de inwerkingtreding van dit onderdeel in ieder geval wachten totdat het Hof de prejudiciële vragen beantwoord heeft in een arrest? Want dan kunt u met zekerheid weten dat u volgens het Unierecht aan het handelen bent. Dat is eigenlijk onze vraag aan u.
Minister Van den Brink:
Ja, die heb ik heel goed verstaan, maar het kabinet twijfelt niet over het gekozen onderscheid, dat Unierechtelijk al bestaat en wordt toegepast. Om die reden zijn we ook niet voornemens om een soort pauzeknop op deze wetgeving te zetten tot de uitspraak over de prejudiciële vragen.
De heer Van Hattem (PVV):
We hebben het nu over nareis in relatie tot het tweestatusstelsel. Met het tweestatusstelsel krijg je straks dus een b-status, dus subsidiaire bescherming, waarbij strengere voorwaarden kunnen worden gesteld aan gezinshereniging en nareis. Zoals ik de minister begrijp, is het ook de bedoeling om daarmee de instroom te kunnen beperken. Dit ziet hij als een van de instroombeperkende maatregelen. Om die instroom te kunnen beperken is het niet de bedoeling dat we groepen in grote mate de a-status gaan verlenen. Kan de minister aangeven of hij gaat voorkomen dat grote groepen alsnog de a-status krijgen? Want dan wordt de instroom nog steeds niet beperkt.
Minister Van den Brink:
Het voorkomen ervan is in zichzelf besloten in het recht. Dat betekent dat het onderscheid dat gemaakt wordt tussen een vluchteling en een subsidiair beschermde gerechtvaardigd is. Dat wordt inmiddels al vele jaren in het Europese recht gedaan. Het is dus getoetst en er zijn uitspraken over. In die zin heeft de IND alle ruimte, kennis en ervaring binnen handbereik om de besluiten te nemen die passen bij de definities van de twee verschillende statussen. Dus ik twijfel er met u zeker niet aan dat de IND dit kan uitvoeren en dat dit leidt tot uitspraken waarin duidelijk wordt wie voor de a- en wie voor de b-status in aanmerking komt. Het is goed voorstelbaar dat er daarna via een rechtbank een zaak van wordt gemaakt, helemaal als we er net mee beginnen. Maar er hoeft bij de IND geen onduidelijkheid over te bestaan. Ik verwacht ook niet dat dit in de rechtspraak in die zin tot een andere definitie of toepassing leidt dan wat we in andere landen hebben gezien.
De heer Van Hattem (PVV):
Dan hebben we het inderdaad over de individuele zaken. Maar ik wil het volgende punt maken. Wat gebeurt er als je de instroom wilt beperken en daartoe meer gaat inzetten op de b-status, om te voorkomen dat er meer nareis en gezinshereniging plaatsvindt, maar er tegelijkertijd grote groepen onder de a-status worden geplaatst, zoals onlangs is gebeurd met een besluit over Eritrea? Daarin werd collectieve bescherming voor Eritreeërs opgelegd, waardoor ze toch massaal de a-status krijgen en gezinshereniging en nareis kunnen laten plaatsvinden. Dan is er toch helemaal geen sprake meer van instroombeperkende maatregelen? Kan de minister toezeggen dat hij niet het soort maatregelen gaat nemen waardoor mensen massaal van de B-status naar de A-status gaan, zodat we langs deze weg alsnog grote groepen nareis en gezinshereniging kunnen krijgen?
Minister Van den Brink:
Ik snap nu iets beter wat u bedoelt. Nee, het kabinet gaat niet zelfstandig keuzes maken die de B-status verbeteren in een A-status, behalve dan wanneer dat vanuit het recht als noodzakelijk wordt gezien. Dat kan zich voordoen, maar het is een zorgvuldig proces en dat kan ook de andere kant op gaan. Het is een tweekantenredenering. De situatie in een land kan zich zo verslechteren dat mensen op de vlucht gaan, maar een situatie kan ook zodanig veranderen dat het om een B-status gaat. In die zin verandert soms de beoordeling van de situatie in landen van herkomst. Daarvoor hebben we een heel zorgvuldig landenbeleid. Daar ga ik mee om zoals al mijn voorgangers ook hebben gedaan. Ik ga geen zelfstandige keuzes inbrengen die de A-status gaan verbeteren ten opzichte van de B-status.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Hattem.
De heer Van Hattem (PVV):
Dan zou er meer terughoudendheid mogen worden betracht ten aanzien van het aanwijzen van collectieve bescherming bij groepen. De minister kan op basis van een ambtsbericht wel degelijk zeggen "we gaan bepaalde groepen wel of niet collectief beschermen". Nu is met betrekking tot Eritreeërs wel gezegd dat die collectieve bescherming krijgen. Is de minister bereid om daar toch kritisch naar te gaan kijken en wat mij betreft die collectieve bescherming van Eritreeërs er heel snel af te halen?
Minister Van den Brink:
Er wordt altijd individueel bepaald of de A-status wordt toegepast. In dat opzicht is er dus geen sprake van collectieve toepassing. Als dat u geruststelt, kan ik u daarmee geruststellen.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Ik wil graag nog even helemaal terug naar het begin van dit blokje, toen het ging over het tweestatusstelsel en de minister zei "wij hebben een éénstatusstelsel". Dat heb ik u twee of drie keer horen zeggen. Nu heb ik altijd begrepen dat wij gewoon een tweestatusstelsel hebben, maar dat wij daar niet die grote verschillende gevolgen aan verbinden. Klopt dat?
Minister Van den Brink:
Ik denk dat we strikt gezien allebei een beetje gelijk hebben. Het klopt dat beide ...
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Dat kan eigenlijk niet.
Minister Van den Brink:
Jawel, ik ga het proberen toe te lichten. Het klopt dat er aan de achterkant van de IND nog steeds de keuze is tussen een A- en een B-status. Maar daar is geen rechtsgevolg aan verbonden en sterker nog, je kan ook niet doorprocederen. Je kan in Nederland niet procederen om van de B- naar de A-status te komen. Dat is dichtgezet en daarmee wordt in de volksmond gesproken over één status, maar strikt juridisch — en dat hoor ik natuurlijk hier in de Eerste Kamer goed te doen — heeft u gelijk en is er wel degelijk sprake van een beoordeling op een A- of een B-grond.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
In verschillende voorlichtingsbijeenkomsten is tegen ons gezegd: Europa vraagt ons om dat tweestatusstelsel en om die wet. Dat is dus in feite, precies gekeken, niet waar.
Minister Van den Brink:
Het precieze verschil is dat het Europese Migratiepact ons verplicht om die A- en B-status op te leggen en het niet mogen doorprocederen ook verbiedt. Er moet dus rechtsgevolg kunnen worden gegeven aan iedereen die een B-status krijgt, door die persoon de kans te geven om voor een A-status te gaan. Dat zit op dit moment niet in het Nederlands recht, omdat er verondersteld wordt dat er geen rechtsgevolg aan zit, omdat er geen nareisbeperkingen zijn die verschillend zijn voor de twee groepen. Het pact bevat dus wel degelijk een verplichting die maakt dat het een andere situatie is dan we nu hebben met ons huidige stelsel.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Huizinga.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Het was dus voldoende geweest om die mogelijkheid van beroep in de wet in te brengen en niemand zou dan vervolgens hebben geprocedeerd, want materieel maakt het niet zo heel veel uit. Dit kabinet heeft nu een gigantisch verschil aangebracht tussen een A-status en een B-status, waardoor praktisch iedereen die zo ongelukkig is om de B-status te krijgen — de IND zegt geloof ik 75% — gaat procederen voor een A-status. Is dat nou een verstandig besluit geweest?
Minister Van den Brink:
Ja, omdat het hele samenhangende pakket — daar zitten ook de nareisbeperkingen in, daar zitten ook alle maatregelen van de Asielnoodmaatregelenwet in — maakt dat we daarmee meer grip op migratie krijgen. We veronderstellen dat dat pakket ook een nareiseffect heeft. Dat is de keuze die dit kabinet maakt, omdat wij ook de instroom willen beperken en de asielopvang willen verbeteren. Aan beide kanten draagt het bij.
De heer Van der Goot i (OPNL):
Even terug weer naar de casus België, over gezinshereniging en dergelijke. De minister zegt natuurlijk terecht dat de casus België anders is dan de casus Nederland, maar in beide gevallen zal het straks gaan om de toepassing van het Unierecht. Normaliter zou de Nederlandse lidstaat, die zich gebonden acht door gemeenschapstrouw, ervoor kunnen kiezen — en dat is mijn pleidooi — om terughoudend te zijn en dit onderdeel van de Nederlandse wetgeving te pauzeren. Dan kan Nederland rustig het oordeel van het Hof in Luxemburg afwachten en ondertussen, binnen de kanalen die daar in de Europese Unie voor zijn, bijvoorbeeld de juridische dienst van de Raad of waar dan ook, testen of de Nederlandse teksten in de wet zich wel verdragen met het Unierecht. Dan pas doen we aan gemeenschapstrouw. Hoe ziet de minister dat?
Minister Van den Brink:
Ik vind sowieso dat het woord "gemeenschapstrouw" een prachtig woord is om in dit debat te gebruiken. Wat u voorstelt, zou noodzakelijk worden geacht als er gerede twijfel over was of het Unierecht dit wel toelaat. Die twijfel bestaat niet bij het kabinet, en wel vanwege het feit dat dit in andere lidstaten al is toegepast. Om die reden ziet het kabinet ook geen noodzaak om de pauzeknop te gebruiken in afwachting van de uitspraken van het Hof.
De heer Van der Goot (OPNL):
U zegt in uw antwoord: ik zie het ook in andere lidstaten niet. Wij zien hier opkomen dat dit een nieuw item wordt in de discussie, juist door de toepassing van het tweestatusstelsel in combinatie met nazenddrift. Dan kun je twee dingen doen als kabinet: doorstomen en doorgaan. Dan komen we terecht in een situatie waar in elk geval deze fractie de voorkeur aan zou geven, weg van het idee dat we alles maar bij de rechter neerleggen. Daar waren vorige kabinetten meesters in. Dat heeft geleid tot de hele conflictsituatie en de oplaaiende debatten in de Nederlandse samenleving. Mijn fractie dringt er bij dit kabinet op aan om dat juist te dempen en te kiezen voor een route van zorgvuldigheid en van tijd nemen. Er gaat niets mis als we dit doen, maar we beschermen de rechtsstaat wel, in plaats van de rechtsstaat uit te hollen.
Minister Van den Brink:
Laat ik het zo zeggen: u drukt op een knop van het vorige kabinet. Dat veronderstelt dat er een vergelijking gemaakt zou moeten worden met hoe ik hier sta en hoe dit kabinet zich verhoudt tot de rechtsstaat. Ik zou willen betogen dat dat op geen enkele manier vergelijkbaar is. Dit kabinet heeft op heel veel manieren al uitspraken gedaan die volgens mij daar juist van weg zijn gestapt. En toch gaat gemeenschapstrouw niet zover dat wij bij elke prejudiciële vraag … Die komen vrij vaak voor in ons rechtsstelsel en helemaal in het asielrecht, ben ik inmiddels achter gekomen, na een week of zeven, acht. Er komen de hele tijd uitspraken die zien op de toepassing van het asielrecht. Het is dus niet zo dat de gemeenschapstrouw van ons vraagt om de hele tijd niets te doen, totdat het Hof een uitspraak heeft gedaan. Ik zou uw redenering willen volgen op het moment dat wij die twijfel echt zouden hebben, maar omdat dit op andere plekken al bestaat en ons naar onze overtuiging vanuit het Unierecht die ruimte echt wordt geboden, denken wij toch dat wij … Natuurlijk gaan we het volgen, en zeker ook met belangstelling. Mogelijk zijn we zelfs onderdeel van die hele prejudiciële zaak. Maar er is geen reden om nu op de pauzeknop te drukken.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van der Goot.
De heer Van der Goot (OPNL):
Ik ben blij te horen dat dit een ander kabinet is dan het vorige kabinet; daar zijn we het over eens. Ik zit te zoeken. Ik zei niet dat wij uit gemeenschapstrouw verplicht zijn om dit te doen. U verdraait daarmee in feite de intentie die ik tot uitdrukking heb te brengen. Mag ik u dat kwalijk nemen?
Minister Van den Brink:
Dat was geenszins mijn bedoeling. Ik probeerde vooral iets te onderzoeken. Als er wel een verplichting op mij zou rusten, dan zou ik me hierop aangesproken moeten voelen, in die zin dat ik mij dan zou moeten voegen naar de pauzeknop die u voorstelt. Dat was dus geenszins mijn bedoeling. Ik ben gewoon op zoek naar waar de overtuiging aan uw kant zit. Ik probeer van mijn kant onze overtuiging daarnaast te zetten. Omdat er dus geen verplichting is en we ervan overtuigd zijn dat het binnen het Unierecht is, is het niet noodzakelijk om nu op een pauzeknop te drukken.
De heer Van der Goot (OPNL):
Voorzitter, mijn vraag was nog niet afgerond en de minister antwoordde al. Mag ik de vraag voortzetten?
De voorzitter:
Dan mag u de vraag voortzetten.
De heer Van der Goot (OPNL):
Dank u wel. Er is dus geen verplichting. Daar zijn we het over eens. Daar gaat het debat ook niet over. Het debat ging over het feit dat de spanning in de samenleving bestaat. Daar heb ik gisteren in mijn laatste bijdrage, vlak voor middernacht, ook op gewezen. Onze fractie vindt ook dat daar werk van moet worden gemaakt. Er is een doel om de instroom te beperken en ga zo maar door. Dat is prima. Het gaat om de modaliteit. Wat mij opvalt, is dat de minister in zijn bijdrage zegt dat het kabinet de spankracht in de samenleving wil herstellen. Er wordt in feite een situatie gecreëerd waarin we in allerlei rechtszaken komen. Dan gaat het over de overbelasting van de rechtspraakketen. Dan is uw probleem opgelost en zit de ellende ergens anders, in dit geval bij de rechterlijke macht die niet toekomt aan familierechtzaken en andere zaken, omdat prioriteit moet worden gegeven aan wat vandaag voorligt. Ik stel voor dat het kabinet kiest voor rust en niet voor overbelasting van instanties, niet vanwege de plicht dat u de gemeenschapstrouw toepast, maar omdat u ervan overtuigd bent dat het verstandig is om uit te vinden of deze maatregelen, die er komen, zich ermee verdragen. Dat kan natuurlijk ook via commissies die dit land rijk is. Niets verplicht u om de pauzeknop niet in te drukken. U heeft geen twijfel en het kabinet heeft geen twijfel. De samenleving heeft die twijfel wel. Hoe ziet u dat?
Minister Van den Brink:
Die twijfel zit op heel veel plekken. Aan de ene kant is er een roep in de samenleving om, zoals u ook zegt, grip op migratie te krijgen, om daartoe maatregelen te nemen. Er is jarenlang over gesproken, maar er is geen resultaat gekomen. Nu liggen er eindelijk wetten in de Eerste Kamer die daar invulling aan kunnen geven. Dat is de ene kant van de samenleving. Die vraagt aan ons om tot resultaat te komen. Aan de andere kant zijn er ook mensen in de samenleving die daar zorgen over hebben, die de spanning zien toenemen. Daarom probeer ik me zo zorgvuldig mogelijk uit te drukken. Ik wil op geen enkele manier bijdragen aan de spanning in de samenleving over dit onderwerp. We komen straks over andere gevoelige onderwerpen te spreken. Ook daar zal ik op een heel zorgvuldige wijze uitdrukking geven aan hoe ik denk dat we hiermee om moeten gaan. Tegelijkertijd is dit vooral een juridische vraag, die wel degelijk ook een maatschappelijke betekenis heeft. Die vraag gaat daar wel aan vooraf. We zien die juridische vraag niet anders dan iets binnen het Unierecht. Daarom veronderstellen we ook niet dat de spanning in de samenleving gaat toenemen door de veronderstelling die u heeft met betrekking tot de vraag of dit wel stand kan houden. Op allerlei manieren probeer ik woorden te geven aan het feit dat die spanning in de samenleving mij ook zeer aan het hart gaat. Ik denk niet dat ik daaraan bijdraag door op de pauzeknop te drukken, omdat de samenleving tegelijkertijd van ons vraagt om resultaten te boeken en te laten zien dat deze wetsvoorstellen daar een bijdrage aan kunnen leveren. Daarmee laten we zien dat wij instroombeperkende maatregelen waar nu al zo lang over wordt gesproken kunnen en durven nemen.
Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dit debatje raakte aan een punt dat ik wilde maken, namelijk dat iets wat juridisch mag nog niet altijd wenselijk is. Ik mis dat onderscheid in het debat tot nu toe, met name met betrekking tot de nareisbeperkingen. Die gaan, als ik het goed begrijp, ook gelden voor mensen die nu nog wachten op een uitspraak. Die zijn nu al jarenlang in Nederland, wachten op een uitspraak in hun asielprocedure en gaan ervan uit dat het huidige recht voor hen geldt. Als ik het goed begrijp, gaan de nieuwe maatregelen in zonder overgangsrecht. Dat is toch niet wenselijk?
Minister Van den Brink:
De stapel over het tweestatusstel is nog vrij hoog. Ik kom hier dus zeker nog op terug, maar het klopt dat het kabinet betoogt dat deze maatregelen, die het beleid restrictiever maken — dat is zonder meer waar — enkel effect hebben door ze met onmiddellijke ingang in werking te laten treden. Dus daar heeft u gelijk in.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Ik denk dat we dan over de wenselijkheid van die maatregelen van mening verschillen. Wil het kabinet dan deze drie wetten of twee wetten en een novelle zo snel mogelijk in werking laten treden om inderdaad dat effect te sorteren, die nieuwe wetten ook laten gelden voor mensen die nu in Nederland zijn? Dat betekent dus dat de nieuwe regels doelbewust van toepassing worden verklaard voor mensen die er nu vanuit gaan dat er andere regels voor hen gelden en die al jaren op een uitspraak daarover wachten. Het kabinet kiest er dus doelbewust voor om mensen die al jarenlang wachten op een uitspraak, die door de bezuinigingen van afgelopen kabinetten wachten op een uitspraak, nu te overvallen met deze nieuwe regels die opeens op hen van toepassing zijn.
Minister Van den Brink:
Het rechtsgevolg van een onmiddellijke werking heeft altijd dit effect, behalve als je — we komen nu echt op het debat dat ik straks ook nog ga voeren — voor de volledige eerbiedigende werking zou kiezen. Een volledige eerbiedigende werking — dat is wat u betoogt — zou dus betekenen dat alle nareisverzoeken in die zin onder het oude recht vallen en daarmee dus geen direct sorteren op het probleem dat we ook nu hebben, want dat is de andere kant die we er ook bij moeten betrekken. Ik ontken niet dat er in het verleden door keuzes een effect heeft plaatsgevonden in de asielketen waar wij vandaag de dag mee te maken hebben. Dat gaat overigens wel heel ver terug. Dat is niet van gisteren en ook niet van — dat wordt snel weleens gezegd — het vorige kabinet. Dat ligt echt wel een paar kabinetten daarvoor. We hebben daar — als je heel eerlijk bent — in 2015 onvoldoende oog voor gehad. Daaroverheen kwam corona met een hele afbouw en daarna weer de upswing. Daardoor is de situatie nu zoals die is. Ik heb het daarstraks genoemd: 80.000 mensen in de opvang en dat is nog niet voldoende, en meer dan 50.000 mensen nog in het buitenland, wachtend op nareisverzoeken. Het zijn aantallen waar het stelsel op dit moment gewoon niet mee uit de voeten kan en dus zoekt dit kabinet naar een afweging die recht doet aan dat probleem. Dat is dus deels de overtuiging dat deze wetgeving harmoniseert en ons niet meer of minder aantrekkelijk maakt. Dat mag door verschillenden betoogd of betwist worden, maar dat zijn politieke keuzes die dit kabinet maakt en waar het voor staat. Tegelijkertijd moet dit een direct effect sorteren om het probleem dat we op dit moment al hebben te verlichten. Dus ja, met heel veel woorden geef ik u gelijk. Dit heeft onmiddellijke werking en dat heeft dus effect op mensen die daar nu mee te maken krijgen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Visseren.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dank aan de minister voor zijn eerlijkheid. Dat betekent dus dat mensen die door de keuzes van afgelopen kabinetten nu nog op een uitspraak wachten slachtoffer worden van dit nieuwe beleid.
De heer Nicolaï i (PvdD):
Ik kom nog even terug op de reactie van de minister op de vraag van mevrouw Karimi waarom we niet wachten waar de rechtspraak mee komt met betrekking tot de prejudiciële vragen die het Belgische Hof gesteld heeft. Als ik het goed begrepen heb, zegt de minister: ja, maar dat is een hele andere zaak. Nou, dan kan ik me voorstellen dat je niet wacht, maar het is helemaal geen andere zaak. De vragen die het Hof gesteld heeft, gaan over de uitleg en de geldigheid van de Gezinsherenigingsrichtlijn en de Kwalificatierichtlijn, verordening, voor zover die leiden tot minder gunstige regels voor subsidiair beschermden en hun familieleden dan voor erkende vluchtelingen. Dat is precies wat ook aan de orde is in deze wetgeving. Ik heb dus het idee dat de minister niet kan zeggen: ja, die zaak gaat over wat anders. Nee, die zaak gaat over een uitleg die direct van belang is voor de vraag of datgene waar we vandaag over moeten oordelen eigenlijk wel in overeenstemming is met het Unierecht. Als dat het geval is, komt toch weer de vraag naar voren — die wil ik dan nogmaals stellen — waarom we dan niet wachten op die uitleg van het Hof met betrekking tot de zaak die in België speelt, omdat die over eenzelfde kwestie gaat.
Minister Van den Brink:
In die zin klopt de beschrijving van de rechtsvraag die hier wordt gesteld aan het Hof, die prejudiciële vraag. Hij zou alleen uniek zijn als het een unieke situatie betrof, omdat het nog nergens anders is toegepast. Dan zou je kunnen betogen dat het dus een unieke situatie is waar nog nooit duidelijkheid over is verleend, maar doordat het in andere lidstaten al wordt toegepast, twijfelt het kabinet niet over de juridische houdbaarheid van dit onderscheid tussen de subsidiair beschermde en de vluchteling.
De heer Nicolaï (PvdD):
Nou, mijn vraag was niet of het kabinet twijfelt over de juridische houdbaarheid. Mijn vraag gaat erover dat de minister zegt: het is totaal niet interessant wat eventueel naar aanleiding van de prejudiciële vragen aan de orde komt, want het is een heel andere zaak. Het is helemaal geen andere zaak. Kan de minister dan uitsluiten dat het Hof naar aanleiding van die prejudiciële vragen zou oordelen dat het niet mag wat wij vandaag in deze wet zouden moeten goedkeuren? Kan hij dat uitsluiten?
Minister Van den Brink:
Als ik dat zou doen, zou u me denk ik wel gelijk via de interruptiemicrofoon tot de orde roepen, want dan zou ik op de stoel van de rechter gaan zitten.
De heer Nicolaï (PvdD):
Nou, ik vraag niet of de minister een ander besluit dan de rechter zou nemen. Mijn vraag is: stel nou eens even dat het Hof zegt "nee, dat mag helemaal niet, die ongelijke behandeling", dan werkt dat toch direct door in de kwestie of onze wetgeving dan eigenlijk in overeenstemming is met het Unierecht? Daar kan de minister toch niet omheen?
Minister Van den Brink:
Zeker. Iedere uitspraak van een rechter en helemaal als die van het Hof is, heeft rechtswerking op iedereen en alles. Ik zei net al — misschien is het een beetje een inkleuring van wat mijn werk is — dat ik ieder weekend een hele volle tas met werk ontvang. Tegenwoordig is dat wel digitaal. Dat is niet meer zo'n dikke tas. Daar zitten eigenlijk ieder weekend uitspraken in die ergens in Europa zijn gedaan of bij het Hof die effect hebben op het Nederlandse asielbeleid. Dus dat gebeurt continu. In die zin is er dus ook nu niet, in deze situatie — ik snap dat die hierbij betrokken wordt — iets unieks aan de hand, waarom er dan nu wel een pauzeknop zou moeten zijn.
De heer Dittrich (D66):
Ik wil weer even terug naar de nareisbeperkingen, waarvan de minister heeft gezegd: dat wordt eigenlijk niet door het pact verplicht, maar we hebben zelf de keuze welke beperkingen we opleggen. Ik begrijp dat de minister nog op de specifieke dingen komt, bijvoorbeeld mensen die niet kunnen trouwen in het land van herkomst. Daar gaat mijn vraag dus niet over. Waar die wel over gaat, is de cumulatie — dat is ook door andere sprekers gezegd: inkomenseis, huisvestingseis, wachttermijn. Is het wel eerlijk om het die 50.000 mensen die in het buitenland zitten te laten wachten op een nareistoestemming op zo'n manier eigenlijk onmogelijk te maken om naar Nederland te komen vanwege die cumulatie van al die beperkende voorwaarden? Dat de minister beperkende voorwaarden wil stellen, dat snap ik dan nog, maar als je het zo bij elkaar optelt, betekent het de facto voor mensen dat ze misschien jarenlang van hun familie verstoken blijven. Is dat wel eerlijk?
Minister Van den Brink:
Daar spelen, denk ik, verschillende afwegingen een rol. Het feit dat we een inkomenseis stellen heeft acuut een prikkel en een positieve werking. Ik lichtte net toe hoe we daar meer omheen gaan staan en die mensen gaan helpen. Het effect is dat mensen sneller integreren en sneller mee gaan doen. Dat heeft aan die kant een effect. De nareiscumulatie heeft bij elkaar wel degelijk als effect dat het, wanneer mensen hier komen, in de samenleving op te vangen is. Daarmee is er dus huisvesting. Daarmee is er dus inkomen. Daarmee komen de samenleving en de spankracht van de samenleving waar ik over sprak minder onder druk te staan, omdat er dan dus een situatie komt waarin mensen al veel verder zijn dan ze nu zijn. Dat is de afweging. Tegelijkertijd snap ik dat hier vragen over zijn. Dit is binnen het Unierecht mogelijk. Ten slotte is er iets waar we straks ook nog over te spreken komen. In de situatie die u beschrijft, waarin het heel lang duurt, is artikel 8 van het EVRM wel degelijk een onderdeel van de toetsing. De mogelijkheid blijft behouden om een individueel geval te toetsen aan artikel 8 van het EVRM om daarmee te herstellen wat via artikel 8 van het EVRM moet worden hersteld.
De heer Dittrich (D66):
De minister heeft het over de spankracht van de samenleving, het absorptievermogen. Dat snap ik. Maar er is natuurlijk ook een spankracht van mensen die naar Nederland willen komen om bij hun familie, hun ouders, hun geliefden te zijn. Naarmate daar cumulatief steeds meer beperkingen op worden gelegd, wordt die spankracht veel minder. Die afweging moet worden gemaakt, misschien wel in het kader van artikel 8 van het verdrag over family life, het gezinsleven. Maar mijn vraag blijft of de minister van mening is dat daar door de cumulatie van al die beperkingen niet te veel inbreuk op wordt gemaakt voor de mensen die hiernaartoe willen komen.
Minister Van den Brink:
Nee, dat denk ik dus niet. Het kabinet is ervan overtuigd dat dat moet kunnen, hoewel we daarmee ook veel vragen. Ik wil dat daarmee niet wegstrepen. Er wordt ook veel gevraagd in het kader van het volgende. U noemt terecht dat tegenover het absorptievermogen van de samenleving de kracht van de persoon staat die daarmee te maken heeft. Ik snap heel goed dat u dat zo onder woorden brengt. Ik erken ook dat dat veel vraagt. Tegelijkertijd is de afweging dat de spankracht van de samenleving zo minder onder druk komt te staan.
De voorzitter:
Voordat ik de heer Van Rooijen het woord geef, vraag ik de minister of het hem lukt om voor 12.30 uur het tweede blok te beantwoorden. Of is er nog heel veel? Ik zie u moeilijk kijken. Dat gaat niet lukken?
Minister Van den Brink:
Nou, het zou mij wel lukken in de antwoorden.
De voorzitter:
Ik geef uiteraard meneer Van Rooijen zo het woord. Stel dat ik u dan alles laat beantwoorden, is er dan nog ruimte?
Minister Van den Brink:
Ja, zat, als dat voor de leden goed is.
De voorzitter:
Kunnen de leden ermee leven dat de minister de antwoorden voorleest en dat we dan de vragen opsparen? Dan geef ik nu de heer Van Rooijen het woord.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
De minister had het over de spankracht van de samenleving. We hadden het net ook over de spankracht van dit debat, voor 12.30 uur. Deze wetten zijn, zoals ook de ambtenaren en de deskundigen hebben gezegd, de eerste grote wijziging na 30 jaar in het asielsysteem. De enige wijziging die we hebben gehad, was het intrekken van het tweestatusstelsel door Cohen destijds. Dat komt dan nu gewoon terug. Sommige fracties vragen nu om, naar aanleiding van wat er gebeurt in België, te wachten op een uitspraak van het Europees Hof. Erkent de minister dat we, als we dat zouden doen, na 30 jaar niets doen nu in dit debat zouden zeggen: kunnen we niet nog een tijdje wachten totdat dit in werking treedt? Kan de minister zeggen hoelang het kan duren voor die uitspraak er is? Als dat een paar jaar is, werpt dat, na 30 jaar, een heel raar licht op de vragen in dit debat.
Minister Van den Brink:
In mijn betoog heb ik aangegeven dat ik de spanning niet wil opvoeren.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Dat was ook een zijdelingse opmerking. Mijn vraag was heel kort: hoe lang kan het duren voordat de uitspraak van het Hof er is? U zegt: ik wil daar liever niet op antwoorden, want dat maakt het debat wat emotioneler of zo. Dat bedoelde u toch niet?
Minister Van den Brink:
Nee. Dat kan maanden tot jaren duren.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Vindt de minister dat wenselijk in zijn afwegingen?
Minister Van den Brink:
Nee, dat is niet wenselijk. Dat staat los van het feit dat we er ook niet van overtuigd zijn dat het noodzakelijk is, dat klopt.
De voorzitter:
Nog één feitelijke opmerking van mevrouw Perin en dan gaan we door met de beantwoording door de minister.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ik wil deze Kamer er toch echt even aan herinneren dat wij nog niet zo heel lang geleden de stemming over de implementatiewet EU-richtlijn minimumloon hebben aangehouden op voorstel van collega Schalk, omdat er door Denemarken een zaak was aangespannen bij het Europees Hof. Denemarken vroeg zich af of die richtlijn überhaupt wel in lijn was met Europese regelgeving. Volgens mij is hier sprake van een soortgelijk geval. Ik kan me niet vinden in wat collega Van Rooijen zegt, namelijk dat het nog nooit is gebeurd. Heel recent heeft deze Kamer nog een stemming aangehouden totdat er een uitspraak was.
De voorzitter:
U zou een korte feitelijke opmerking maken. We houden het hierbij. De minister vervolgt zijn beantwoording.
Minister Van den Brink:
De heer Van de Sanden vroeg gisteren in zijn betoog in hoeverre deze wetgeving past binnen het Europees Migratiepact en het Unierecht. Ik heb daar inmiddels al genoeg over gezegd, denk ik. Ik heb aangegeven dat dit wel degelijk binnen de juridische kaders past.
De heer Van Rooijen vroeg naar het doel van het wetsvoorstel. Meerdere mensen vroegen daarnaar. Naar oordeel van het kabinet dienen deze wetsvoorstellen meerdere doelen. Ik heb de harmonisatie genoemd. Er wordt tot uitdrukking gebracht wat internationaal recht altijd heeft bedoeld als het gaat om het gerechtvaardigde verschil tussen vluchtelingschap en subsidiaire bescherming. Verder zorgt de invoering ervan dat Nederland niet meer of minder aantrekkelijk is dan andere lidstaten. Ik heb ook verwezen naar het rapport van het Verwey-Jonker Instituut. De nareisbeperkingen geven het opvangstelsel lucht, zoals ik daarnet eerlijk heb geantwoord.
De heer Janssen zegt dat het tweestatusstelsel terecht is afgeschaft omdat het niet houdbaar bleek. Waarom zouden we dat dan opnieuw doen? Het gerechtvaardigde onderscheid dat mag vanuit het Unierecht biedt ruimte om nareisbeperkingen op te leggen. 30% van de asielinstroom komt uit nareis. Daarom zijn die strengere voorwaarden noodzakelijk. De introductie van een tweestatusstelsel helpt daarbij, omdat je bij subsidiair beschermden andere eisen kunt stellen dan bij vluchtelingen. Dat neemt niet weg dat Nederland dat in 2000 heeft afgeschaft. Dat had overigens niet met nareis te maken, maar met het streven om de asielprocedure te vereenvoudigen. Het speelveld is nu echt wel anders dan in 2000. Er is een geharmoniseerd Europees asielstelsel. De aard en de omvang van asiel- en nareisstromen verschillen echt fors met toentertijd. Het Asiel- en Migratiepact schrijft voor, zoals ik net zei, dat het tweestatusstelsel een gegeven is. Maar ik heb ook gezegd dat wij zelf de afweging maken op de nareisbeperkingen.
Dan de beroepszaken, die ook vaak zijn genoemd. Er worden maatregelen genomen om de asielprocedure efficiënter te maken. Er zijn extra financiële middelen vrijgemaakt voor de uitvoering. Het belangrijkste effect zit echter in de instroombeperking van deze maatregelen die we veronderstellen. Als de asielinstroom wordt gereguleerd, wordt de situatie binnen de migratieketen op termijn immers weer beheersbaar en neemt de druk op de uitvoering en de rechtspraak af.
Mevrouw Perin-Gopie vroeg of Nederland elementen toevoegt. Ik ben daar al heel eerlijk over geweest, denk ik.
De heer Janssen vroeg heel specifiek naar verplichtingen. Laat ik die vraag toch beantwoorden, want ik denk dat het goed is dat uw Kamer daarvan weet. Het is mogelijk ook van belang bij de behandeling van het Europees Migratiepact. Voor de Wet invoering tweestatusstelsel geldt dat het handhaven van het eenstatusstelsel niet langer mogelijk is onder het Asiel- en Migratiepact; ik zou bijna "pect" zeggen. De nareisvoorwaarden volgen niet dwingend uit het Unierecht. Dat is een keus die wij zelf maken. We maken gebruik van de ruimte die daarvoor is. Voor de Asielnoodmaatregelenwet geldt dat alleen de afschaffing van een asielvergunning voor onbepaalde tijd dwingend uit het Unierecht volgt. De andere maatregelen die in de Asielnoodmaatregelenwet zitten, zijn dus maatregelen die wij zelf nemen in Nederland om onze procedures te versnellen en de doorlooptijden te verbeteren, opdat de werkprocessen van de IND worden verbeterd.
Er zijn verschillende vragen gesteld over de cumulatie. Mevrouw Van Toorenburg vroeg bovendien hoe het zit met de woonsituatie van mensen die hier zijn: asielzoekers, statushouders, Oekraïners. Daarbij benadrukte zij de doelgroepflexibele regeling. Die is ontzettend van belang. Vorig jaar is er met veel gemeenten gesproken over hoe we naar een situatie toe kunnen waarin op lokaal niveau locaties ter beschikking worden gesteld die meerdere doelen kunnen dienen, dus bijvoorbeeld een deel voor het COA, een deel voor statushouders en een deel voor Oekraïners. Het kabinet heeft daar heel positief op gereageerd en daar ook met de VNG over gesproken. Wij zien immers ook dat het op lokaal niveau een enorme bijdrage kan leveren, ook aan het ontlasten van de discussie over de statushouders, die alleen terecht kunnen in corporatiewoningen. Ik ben daarover in een afrondend gesprek met gemeenten om dat zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. Dat hing ook een beetje samen met de Voorjaarsnota, dus dan weet u wel waar het over gaat. We zijn er op dit moment dus mee bezig en we zijn zeker van plan om daarop door te gaan, want dit is een ontzettend mooie bijdrage vanuit gemeenten. Dat kan helpen om de problemen rondom de opvang te verlichten.
Mevrouw Perin-Gopie vroeg of het kabinet kan toezeggen dat de eerder verleende statussen — dus een subsidiaire status of een vluchtelingstatus — niet zullen veranderen. Ja, dat kan ik toezeggen. De beoordeling of iemand vluchteling is of subsidiair beschermd, is bij de inwilliging van de oorspronkelijke asielaanvraag al gemaakt en die handhaven gewoon.
De heer Dittrich vroeg mij naar de wachttermijn. Daar hebben we net al over gesproken. Vanaf de inwilliging van het asielbesluit is die van toepassing.
De heer Van Rooijen vroeg naar de definities van het kerngezin. Ik kom nu op een aantal vragen die daarover zijn gesteld. Die zullen zeker gaan leiden tot interrupties, kan ik mij zo voorstellen. Met onderhavig wetsvoorstel zullen voortaan alleen leden van het kerngezin voor nareis in aanmerking komen. Dit zijn: de meerderjarige echtgenoot, het kind, en de ouders enkel in combinatie met een minderjarige broer of zus van een alleenstaande vreemdeling die hier al is. Tegelijkertijd kunnen aanvragen die daaruit volgen ook worden getoetst aan artikel 8 EVRM. Naast dat het een beperking is, is er dus het veelgenoemde artikel 8 EVRM.
De heer Schalk noemt de kwetsbare gezinsleden zoals een meerderjarige met een ernstige beperking. Hoe gaan we daarmee om? Met onderhavige wetswijziging komen voortaan alleen leden van het kerngezin die minderjarig zijn in aanmerking voor nareis. Tegelijkertijd, in gevallen waarin overduidelijk is dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen een meerderjarig kind met een ernstige beperking en de ouders en er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn waardoor er meer dan de gebruikelijke emotionele banden tussen een ouder en een meerderjarig kind zijn — ik formuleer het zoals het juridisch tot stand is gebracht, ook volgend uit artikel 8 EVRM-uitspraken — dan zal gezinshereniging op grond van artikel 8 EVRM mogelijk blijven.
Er zijn verschillende vragen gesteld over de ongehuwden. Dat debat heeft ook in de Tweede Kamer plaatsgevonden. Voormalig ... Nee, niet ... Ja, wel voormalig minister — ik ben immers de minister, maar het is nog wel steeds mijn collega — Van Weel heeft daar toentertijd antwoord op gegeven en gezegd hoe dat eruitziet. Met de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel beperken we de definitie van het kerngezin zoals met de Kamer is gewisseld. Deze verplicht tot de mogelijkheid van nareis van gehuwde partners en minderjarige kinderen. De mogelijkheid om in aanvulling daarop ook gezinshereniging toe te staan aan onder anderen ongehuwde partners is dan geen verplichting meer, maar het blijft voor ongehuwde partners mogelijk om een beroep te doen op 8 EVRM. Wanneer ongehuwde partners aannemelijk kunnen maken dat er sprake is van gezinsleven in de zin van 8 EVRM — dat gaat over de feitelijke gezinsband — dan kunnen zij alsnog in aanmerking komen voor verblijf bij hun partner in Nederland.
De heer Dittrich stelde aanvullend de vraag: kan de minister in een werkinstructie aan de IND neerleggen hoe dat zit? De jurisprudentie van 8 EVRM hierover is helder. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hanteert een feitelijke benadering van de beoordeling van de term "family life". Duurzame relaties vormen family life als de band voldoende reëel en stabiel is. Huwelijk is dus geen vereiste. Het gaat om de feitelijke, hechte gezins- of partnerband. De IND beoordeelt of sprake is van een dergelijke gezinsband, waarbij alle relevante omstandigheden worden meegewogen. Die staande jurisprudentie, waarbij dus niet relevant is of er sprake is van een huwelijk voor de beoordeling van family life, is voor de IND leidend in de wijze waarop ze hiermee werken. De heer Dittrich vraagt mij om dat eenduidig in een werkinstructie van de IND op te nemen, omdat dat belangrijk is. Ik zeg u dan ook graag toe dat de IND de definitie die ik hier net aangaf, ook in z'n werkinstructie zal opnemen.
De voorzitter:
Nee, dat mag nu niet, mevrouw Van Toorenburg.
Minister Van den Brink:
Dan heeft de heer Janssen een vraag gesteld over artikel 8 EVRM. Het kabinet ziet in het Unierecht en in het EVRM ruimte om de nareis te beperken tot het kerngezin. Dat geldt ook voor mensen die nu al in de procedure zitten. Vreemdelingen die onder de nieuwe nareisvoorwaarden vallen, kunnen zich nog steeds beroepen op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. In de lopende nareisaanvraag voor gezinsleden die door de wetswijziging buiten dat kerngezin zouden vallen, zal de IND een ambtshalve toets doen op artikel 8 EVRM. Dat vraagt dus niet iets extra's. Die mensen hebben een aanvraag gedaan en die zal ambtshalve op artikel 8 EVRM getoetst worden.
Mevrouw Huizinga, mevrouw Karimi, de heer Dittrich, mevrouw Perin-Gopie en mevrouw Van Toorenburg vroegen waarom ik deze maatregel neem. Het is onderdeel van de maatregelen om de nareis te beperken tot het kerngezin. Dat is binnen het Unierecht mogelijk, maar onder artikel 8 EVRM is gezinshereniging via een andere route nog steeds opeisbaar, volgens de definities zoals ik die net aangaf.
Meneer Dittrich zei ook nog specifiek: als we de cumulatie van die voorwaarden hebben, hoe zit het dan met het woonvereiste? Dit kabinet kiest ervoor dat de taakstelling voor gemeenten om statushouders te huisvesten wordt gehandhaafd. Daarnaast heb ik net tegen mevrouw Van Toorenburg gezegd dat we werken aan een samenhangend pakket van maatregelen, waarbij gemeenten met een bindend convenant — we noemen het convenant voor flexibele opvang — flexibele locaties kunnen ontwikkelen voor tijdelijke bewoning, waar onder andere statushouders gehuisvest kunnen worden.
Verder streeft de regering met het invoeren van het huisvestingsvereiste ook na dat als nareizigers naar Nederland komen, er gelijk huisvesting beschikbaar is voor hen, zodat nareizigers niet opgevangen hoeven te worden in de asielopvang van het COA zoals nu wel het geval is. Ik heb u net de cijfers genoemd, waardoor we ook met de COA-opvang in een ontzettend moeilijke situatie zitten, vanwege het grote aantal statushouders die in de COA-opvang zitten.
Over artikel 8 EVRM zijn door een aantal leden nog andere vragen gesteld. Met de beperking wordt aangesloten bij de norm van het Unierecht. Gezinshereniging blijft mogelijk door een beroep te doen op artikel 8 EVRM. Het kabinet beschouwt artikel 8 EVRM als een ondergrens, waardoor de minimumrechten worden gewaarborgd. Gelet op de aard van artikel 8 EVRM kan mijns inziens niet worden gezegd dat dit een zwakker recht zou zijn.
Ik denk dat ik daarmee aan het einde ben gekomen van alle vragen, want hier kom ik weer bij prejudicieel en dan ben ik wel rond.
Nee, sorry, één vraag moet ik nog beantwoorden. Mevrouw Perin-Gopie heeft in haar betoog gisteren het woord "discriminatie" gebruikt. Je moet het niet licht opvatten als daarnaar wordt gevraagd. Het Unierecht heeft dus het geaccepteerde onderscheid gemaakt tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden. Wat wij hier doen, kan in die zin niet discriminatoir zijn, omdat het Unierecht onderscheid maakt tussen die twee vergunningsvragen. Dat wilde ik daar nog op zeggen.
Dan zijn de vragen bijna rond. Rest enkel nog een vraag die we al heel vaak hebben gehad in een debat vorige week over kinderrechten en de toets daarop. Ik kan daarvan zeggen dat daarmee wel degelijk rekening is gehouden in de afwegingen, want twee van de drie voorwaarden die worden gesteld bij de nareis van gezinsleden — huisvesting en inkomensvereiste — gelden niet voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Bovendien geldt ook voor minderjarigen dat er altijd een beroep op artikel 8 EVRM mogelijk blijft. Bij die afweging zijn de belangen van het kind een expliciet onderdeel.
Ik ben op dit moment rond met alle vragen die zien op status, nareis en onmiddellijke werking.
De voorzitter:
Ja. Mevrouw Visseren.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dank, voorzitter. Ik wil het even echt scherp krijgen op het nareizen van partners die niet zijn gehuwd. De minister zegt dat de IND ambtshalve zal toetsen. Betekent dat dat degene die de nareis aanvraagt dus geen extra aanvragen hoeft te doen, maar dat dat automatisch wordt meegenomen in de aanvraag? Klopt dat of moet de vluchteling zelf een extra aanvraag doen? Dat is mij niet helder.
Minister Van den Brink:
U hebt volgens mij in de schriftelijke rondes kunnen zien hoe daar tot nu toe op gereageerd is. Ik heb natuurlijk ook goed geluisterd naar hoe u daar gisteren woorden aan gaf. Op dit moment is het zo — dat heeft u ook in de stukken gezien — dat de ambtshalve toetsing alleen zal gelden voor de groep die nu al een nareisaanvraag heeft gedaan. Dus daar zal de ambtshalve toetsing op plaatsvinden, omdat zij op dit moment al een nareisverzoek hebben liggen.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dat geldt dus niet voor nieuwe aanvragen. Dus als over een jaar een aanvraag wordt gedaan voor nareis door iemand die nu in de procedure zit, zal een vluchteling die niet kon trouwen in het land van herkomst extra aanvragen moeten doen, alleen omdat hij niet kon trouwen in het land van herkomst?
Minister Van den Brink:
Vertrekkend vanuit dat het Unierecht het kerngezin op deze manier definieert, is dat de consequentie die daaruit strekt en die ik tot nu toe volgens mij ook onder woorden heb gebracht in alle schriftelijke rondes die er zijn geweest. Tegelijkertijd heb ik heel goed gehoord wat de heer Dittrich daarover heeft gezegd en wat mevrouw Van Toorenburg daarover heeft gezegd. Ik ben een beetje zoekende naar welke vraag hieronder wegkomt, om daarop een antwoord te geven. Er is aan de ene kant de wet, die dus zegt: ja, die nareisbeperkingen gaan voor dat kerngezin. Tegelijkertijd zie ik ook de vragen die u stelt. Die zijn deels ook al in de Tweede Kamer gesteld, maar zijn daar eigenlijk niet tot een afronding gekomen. Zo zou je het ook onder woorden kunnen brengen. De Kamer heeft daar een heel lange brief over gehad en daar heeft de Tweede Kamer niet meer een andere keuze in gemaakt. Dat is wel de situatie zoals die nu voorligt.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Visseren.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Blijkbaar is het dus mogelijk voor de IND om dit ambtshalve zo te doen. Dus wel voor de vluchtelingen die nu in de procedure zitten en niet voor toekomstige vluchtelingen, als dat mogelijk is? Kan de minister toezeggen dat hij gaat onderzoeken of deze manier van werken ook voor toekomstige vluchtelingen kan worden toegepast?
Minister Van den Brink:
Deze vraag is vanuit veel partijen eerder gesteld, eigenlijk over de volle breedte van in ieder geval de Tweede Kamer. Ik merk dat dat ook in deze Kamer vrij breed onder woorden wordt gebracht. Ik wil dus toezeggen dat we dat gaan doen, want anders zou u met die artikel 8 EVRM-aanvraag zitten. We weten natuurlijk ook — dat stond eigenlijk al in de Kamerbrief van de heer Van Weel, mijn voormalige collega, de voormalige minister Van Weel op Asiel — dat de inschatting is dat dat met de definitie die ik net gaf aan de heer Dittrich over die werkinstructie, met hoe die eruitziet, eigenlijk vrij heldere uitkomsten gaat krijgen. Want als die partner en die feitelijke gezins- en partnerband er is, dan leidt dat uiteindelijk in heel veel gevallen natuurlijk tot een toewijzing. In die zin snap ik dat u zoekt naar of dit niet te formalistische manier is om dan een artikel 8 EVRM-aanvraag te doen en vraagt waarom er dan geen sprake kan zijn van een ambtshalve toetsing. Ik wil u toezeggen dat ik dat op die manier ga onderzoeken. Ik ga dat niet onderzoeken met de gedachte om daarna terug te komen met het antwoord: sorry, het gaat toch niet lukken. Ik ga het onderzoeken met de door u uitsproken gedachte — die van de heer Dittrich, van mevrouw Van Toorenburg en van u en ook anderen hier — dat dat dan een ambtshalve toetsing gaat zijn die de IND gaat uitvoeren op deze groep.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Perin.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Ik heb nog één vraag.
De voorzitter:
Nee, dit was de derde keer. Dit is een heldere toezegging. Ik geef het woord aan mevrouw Perin.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Dank u wel, voorzitter. Het doet mij goed te horen dat de minister ook het woord "discriminatie" zwaar weegt, zeker in deze Kamer. Ik heb daar ook niet lichtvoetig over gesproken in mijn tekst, maar ik denk dat er iets meer context nodig is. Wat ik daarmee bedoelde is dat met de beperking die de definitie van het kerngezin oplegt voor stellen van gelijk geslacht de regelgeving dus discriminatoir kan uitpakken, omdat zij dus niet gehuwd kunnen zijn, terwijl heteroseksuele stellen wel gehuwd kunnen zijn en daarmee dus op een makkelijkere manier hun partner naar Nederland kunnen halen. In de uitvoeringspraktijk van deze regelgeving kunnen er dus discriminatoire uitkomsten zijn, omdat de partner van gelijk geslacht moeilijker zijn partner naar Nederland kan halen dan een heteroseksuele partner. Ik ben benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt.
Minister Van den Brink:
Het lastige is dat het vertrekpunt gewoon het Unierecht is. Het Unierecht zegt "het kerngezin" en heeft een definitie van dat kerngezin geformuleerd, die wij doorvoeren in onze wetgeving. Dus op zichzelf zou ik willen betogen dat het Unierecht nooit discriminatoir kan zijn. Dan is het dus een gerechtvaardigd onderscheid dat wordt gemaakt. Tegelijkertijd kom ik ook tegemoet aan de zorgen die hier net werden geuit over situaties van mensen die met elkaar samenleven, maar niet getrouwd kunnen zijn. Ik zeg dus toe dat ik niet alleen zal onderzoeken of die ambtshalve toetsing kan, maar dat het ook op die manier gaat plaatsvinden.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Volgens mij begrijpt de minister mij niet helemaal goed. Ik bedoel niet dat het Unierecht discriminatoir is, maar de twee verschillende statussen die toegekend kunnen worden op basis van de seksuele oriëntatie die hier in de asielketen zitten, en dat dus de Nederlandse regelgeving discriminatoir uitpakt in de uitvoeringspraktijk van het halen van een partner van iemand naar Nederland. En dan nog over die werkinstructie: er is al een werkinstructie bij de IND voor hoe om te gaan met queervluchtelingen, maar die pakt in de praktijk niet goed uit omdat daar niet altijd goed naar gehandeld wordt. Dus zou de minister misschien in de volgende termijn iets dieper in kunnen gaan op wat er dan anders wordt in de werkinstructie die er nu al is voor queervluchtelingen?
Minister Van den Brink:
De werkinstructies zijn niet allemaal in mijn parate kennis aanwezig, dus ik zeg u toe dat ik daar in de tweede termijn even op terugkom.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
En dan nog het stukje over discriminatie.
Minister Van den Brink:
Ja, dat is toch het Unierecht. Ik val dus terug op het Unierecht. De keuze die gemaakt is in deze vormgeving van de wetgeving is het Unierecht. Daarin ligt dat besloten. Tegelijkertijd zeg ik hier toe dat we in die situaties van ongehuwden een ambtshalve toets op 8 EVRM zullen toepassen.
De heer Dittrich (D66):
Ik zie dat de minister een beweging maakt ten opzichte van alles wat hiervoor over dat onderwerp is gezegd, dat de minister zegt: oké, er komt een werkinstructie. Mij is iets nog niet helemaal duidelijk, ook door de vraag van mevrouw Visseren-Hamakers en uw antwoord daarop. Het is wat betreft de Kamer niet meer de vraag of er zo'n werkinstructie moet komen, maar meer hoe we die zodanig vormgeven dat er eigenlijk geen verschil is tussen mensen die wel konden trouwen in hun land van herkomst en mensen die dat niet konden. Het is dus niet meer de vraag of, maar meer hoe we het zodanig kunnen vormgeven dat je niet kunt zeggen dat er een ongerechtvaardigd onderscheid is tussen die twee groepen. Heb ik dat goed begrepen?
Minister Van den Brink:
Dan zou je dus uitkomen op de situatie dat de IND bij een nareisaanvraag van een ongehuwde partner van een persoon met een asielvergunning die hier al is — dat is dan natuurlijk de situatie waar we over spreken, dat kan dus enkel zien op die asielvergunning — standaard ambtshalve zal toetsen op 8 EVRM. Volgens mij zou ik daarmee tegemoet kunnen komen aan uw zorg en daarmee het onderscheid herstellen dat u allen uitspreekt niet wenselijk te achten. Volgens mij is het in die zin misschien net wat te formalistisch ingevuld tot nu toe, hoe daarover gesproken is. Laat ik dat op deze manier herstellen, zodat dat opgelost is als we dit gaan uitvoeren.
De heer Dittrich (D66):
Dank voor de toezegging. Om geen enkel misverstand te creëren, denk ik dat het toch belangrijk is dat we dat nog op papier krijgen, zodat we, als toch mocht blijken dat toch nog ergens licht tussen zit, daar opnieuw verder met deze minister over door kunnen gaan. Dus als de minister wil toezeggen, graag.
Minister Van den Brink:
Ja, dat zeg ik u toe. Daarmee hebben we het gelijk verzegeld, denk ik.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik wil graag teruggaan naar de cumulatieve eisen die gesteld worden, dus die twee jaar plus de huisvestingseis en de inkomenseis. In de antwoorden van de minister werd dat gepresenteerd als een stimulans is en dat de mensen als ze hier komen gewoon meteen kunnen beginnen. Onderschrijft de minister dat het niet zo makkelijk is om aan geschikte huisvesting te komen en aan de inkomenseis te voldoen? In die zin geeft de minister geen antwoord op de vraag of hij het rechtvaardig vindt dat gezinnen misschien wel tien jaar van elkaar gescheiden blijven. Dat is eigenlijk de kern van mijn vraag. Daar krijg ik geen antwoord op.
Minister Van den Brink:
Laat ik u zeggen dat je bij de oorspronkelijke vormgeving van het wetsvoorstel, in combinatie met alle afschaffingen van taakstelling en voorrang, misschien in de situatie zou kunnen komen zoals u die beschrijft, helemaal als er ook nog een groot gebrek aan woningen is. Maar met de taakstelling die we nu hebben voor statushouders en de wijze waarop die nog steeds wordt ingevuld … Natuurlijk, ik weet dat op dit moment heel veel statushouders in de opvang zitten, omdat er een tekort aan plekken is. Dat heb ik al betoogd. Tegelijkertijd is de doorstroming wel gaande. Het is niet de periode waar u over spreekt. Het is echt vele malen korter. Dus aan de woonkant voorzie ik niet de situatie die u beschrijft. Die andere twee zijn dan wel weer heel erg ontlastend voor de keten en dus voor het COA. Het is ook integrerend als het gaat om het middelenvereiste. In combinatie zie ik deze voorwaarden dus wel als toepasbaar.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag was: wat is eigenlijk voor de minister … Dat zit misschien meer op het niveau van waarden. Wat denkt u dat acceptabel is voor de regering? Hoelang mogen gezinnen gescheiden zijn? Het gaat soms echt om minderjarige kinderen die gescheiden zijn van hun ouders, of om ouders die gescheiden zijn van hun kinderen of hun partners. Wat is acceptabel? Wanneer zegt u: nou, eigenlijk vind ik dat dit niet kan?
Minister Van den Brink:
Ik denk dat je daar heel zorgvuldig in moet zijn, omdat we allemaal weten dat familieleven heel waardevol is. Iedere scheiding levert in zichzelf natuurlijk al een pijnlijke situatie op. U weet dat nog veel beter dan ik, maar door alle verhalen die ik heb gehoord, weet ik ook dat mensen die deze achtergrond hebben al heel veel hebben meegemaakt. In die zin zijn het ook pijnlijke situaties. Tegelijkertijd is dat de weging die we proberen aan te brengen. Aan de ene kant proberen we om mensen die hier komen gelijk een onderdeel van de samenleving te laten zijn. En nee, dat moet niet tien jaar duren. Maar ik ga geen getal noemen dat wel acceptabel is, want dat heeft aan de ene kant te maken met de spankracht van de samenleving, die we willen laten ontspannen, en tegelijkertijd met allerlei vragen over huisvesting die sowieso in Nederland spelen. Dus dat laat zich niet helemaal beantwoorden met een termijn. Laat ik zeggen: vanuit de positie van de referent of degene die hier al is, is iedere dag te lang. Dat zie ik ook.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Karimi.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Maar is de minister het met mij eens dat het met dit eisenpakket duidelijk is … Daar kan een conclusie uit getrokken worden. Soms moeten mensen namelijk al meer dan twee jaar wachten tot er een besluit is genomen over hun status. Daarna begint het tellen. Daarna komen al die andere eisen. Is de minister het met mij eens dat dit alles bij elkaar waarschijnlijk minimaal vijf à zes jaar duurt en dat dit opzettelijk gedaan is met deze wetten?
Minister Van den Brink:
Aan de ene kant achten we die wet noodzakelijk en laten we die onmiddellijk werken om effect te hebben. Op de langere duur, als onze asielketen weer op orde komt, geloof ik dat we niet meer te maken zullen hebben met zo'n lange periode. In die zin is het een tijdelijke situatie. Als we de boel op orde krijgen, verwacht ik dat de doorlooptijden echt vele malen korter zullen worden, ook met de invoering van het pact. Dan geloof ik dat dit een goede bijdrage is om grip op migratie te krijgen.
De voorzitter:
Dank u wel.
De beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik heb de heer Schalk beloofd dat hij straks, na de schorsing, zijn vraag nog even mag stellen. Dat heb ik beloofd. Dan schors ik nu de vergadering tot 13.30 uur.
De vergadering wordt van 12.27 uur tot 13.29 uur geschorst.