Plenair Schalk bij behandeling Voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal



Verslag van de vergadering van 21 april 2026 (2025/2026 nr. 27)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 14.32 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schalk i (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Tijdens de voorbereiding moest ik denken aan het gebed dat mijn vader altijd bad voor de maaltijd. Dat luidde als volgt.

O Vader, die al 't leven voedt,

Kroon onze tafel met Uw zegen;

En spijs en drenk ons met dit goed,

Van Uwe milde hand verkregen!

Leer ons voor overdaad ons wachten;

Dat w' ons gedragen als 't behoort;

Doe ons het hemelse betrachten;

Sterk onze zielen door Uw Woord!

Het gaat dan natuurlijk vooral om die beladen zin over dat we ons moeten gedragen zoals het behoort. Die geeft precies aan wat we vandaag met elkaar bespreken, namelijk een gedragscode over ongewenste omgangsvormen voor de Eerste Kamer. Die gaat over ons gedrag als Kamerleden onderling, richting allen die hier werkzaam zijn en naar gasten. Dan hebben we het over de omgangsvormen en ons gedrag. We hebben ons te gedragen zoals het behoort. In z'n algemeenheid is het lastig om commentaar te leveren op een gedragscode over ongewenste omgangsvormen, omdat het de schijn heeft van ontwijkgedrag. De kwetsbaarheid van klagers en beklaagden en van het proces dat beschreven wordt, noopt echter tot zorgvuldige behandeling. Dat is inmiddels via drie schriftelijke rondes gebeurd. Dank voor de zorgvuldige behandeling van alle schriftelijke vragen. In mijn dank zit uiteraard ook de griffie besloten. Ik heb nog wel wat vervolgvragen. Ik loop het document artikelsgewijs langs, waarbij ik begin met artikel 1.

Voorzitter. De fractie van de SGP stelde de vraag of de kwalificaties "bedreigend", "intimiderend" en "vernederend" subjectief van aard zijn. Wat voor de een intimiderend is, hoeft dat voor een ander nog niet te zijn. Het college heeft de definitie van "ongewenste omgangsvormen" gewijzigd, zodat er niet langer onduidelijkheid over kan bestaan dat in de klachtenprocedure uiteindelijk het feitelijke en dus het geobjectiveerde gedrag wordt getoetst en beoordeeld. Dank daarvoor.

Ik ga verder met artikel 1 in relatie tot artikel 3 en artikel 12. In artikel 1 gaat het over het onderscheid tussen de melder en de klager. De melder is de persoon die naar de vertrouwenspersoon gaat. De klager is dezelfde persoon als deze een klacht indient bij de klachtencommissie. Er wordt immers gesteld dat een klager pas een klacht kan indienen nadat hij of zij een melding bij de vertrouwenspersoon heeft gedaan en vervolgens zelfs een gesprek heeft gehad. Dat gesprek met de vertrouwenspersoon is dus voorwaarde geworden voor het kunnen indienen van een klacht. Dat levert nog wel wat vragen op.

In artikel 3 wordt blijkens de nota van wijziging namelijk toegevoegd: "na het doen van een melding". Waarom wordt hier niet meteen bij gemeld bij wie die melding dan wordt gedaan? Pas in artikel 12 komt te staan dat dit bij de vertrouwenspersoon zou moeten zijn. Is het niet vreemd dat er een voorwaarde gesteld wordt, namelijk dat er eerst een melding bij een vertrouwenspersoon moet worden gedaan, ook als het misschien zonneklaar is dat de omgangsvormen ver zijn overschreden? Wat betekent dat voor de persoon waarover een melding gedaan wordt? Kan die nu nog wel terecht bij die vertrouwenspersoon? Breng je de vertrouwenspersoon niet in een onmogelijke positie? De vertrouwenspersoon krijgt overigens wel een specifieke taak, waarbij zijn vertrouwensrol wel ter discussie kan komen te staan. In artikel 6, lid 2 staat dat hij verplicht is tot geheimhouding. Dat wordt later weer doorbroken, weliswaar na schriftelijke toestemming, in artikel 7, lid b en c.

Heel cruciaal vindt mijn fractie het feit dat de melder schriftelijke toestemming zal moeten geven voor het delen van diens identiteit met het Kamerlid waartegen de melding wordt gedaan. Mocht de melder onder alle omstandigheden anoniem willen blijven voor het Kamerlid dat beklaagd wordt, dan zal de weg van artikel 7 onder c niet begaanbaar zijn. Een anonieme klacht is niet mogelijk. Graag nogmaals een nadrukkelijke bevestiging daarvan. Dit is van groot belang, want we hebben in het verleden situaties gezien waarin iemand zich moest verdedigen tegenover de media, zonder te weten wie zich beklaagde of welke concrete klachten er waren. Mogen we constateren dat een dergelijke situatie in feite wordt uitgesloten of in ieder geval zo veel mogelijk wordt voorkomen?

Ik maak een sprong naar artikel 16. Dat wordt in die zin gewijzigd dat de commissie kan besluiten of klager en beklaagde in of buiten elkaars aanwezigheid worden gehoord. De vraag is of dat voldoende rechtszekerheid biedt voor beide betrokkenen. Dit artikel 16, lid 5 geeft aan dat beide betrokkenen zich kunnen laten bijstaan door een raadsman. Wie draagt de kosten daarvan als de klacht gegrond is, of zelfs als die ongegrond is?

Dan artikel 18 in samenhang met artikel 21. In de gedragscode werd onderscheid gemaakt tussen een waarschuwing en een berisping. Daar zat een groot gradueel verschil tussen. Het CVO heeft via de nota van wijziging een derde mogelijkheid toegevoegd, zodat de mogelijkheden nu zijn: een waarschuwing, die altijd vertrouwelijk is, een vertrouwelijke berisping en een openbare berisping. Zijn de criteria daarvoor helder te maken? Wordt het woord "vertrouwelijk" toegevoegd aan de tekst, zowel bij de waarschuwing als bij de berisping? In artikel 21 wordt ook geregeld dat bij een ongegrond verklaarde klacht de beklaagde kan verzoeken dit besluit openbaar te maken. Is daarmee dan de geheimhouding opgeheven?

Voorzitter. Artikel 24 bracht me ertoe nog eens na te denken over de positie van ieder Kamerlid. De hele gedragscode ademt voorzichtigheid, geheimhouding en beslotenheid, maar een Kamerlid dat wil klagen of dat beklaagd wordt, zit in een soort eenzame positie, want bij wie kan je nog terecht als in artikel 24, lid 1 staat dat je over niets mag communiceren anders dan met je raadsman? Het is toch eigenlijk logisch dat je bijvoorbeeld met je fractievoorzitter of met je collega wilt sparren, je zorgen wilt delen of wat dan ook? In dit verband is mijn laatste punt: als mijn fractiegenoot of ikzelf niet met iemand anders zou mogen overleggen dan met de vertrouwenspersoon of de raadsman, dan zouden wij bij de SGP in ieder geval tegen onze eigen integriteitscode in handelen. Die stelt dat bij een vermoeden van niet-integer handelen te allen tijde overleg moet plaatsvinden tussen partijbestuur en de betrokken parlementariër, en dat bij mogelijke schade aan de partijen dit moet worden gemeld aan de fractievoorzitter en de partijvoorzitter of aan de door de partij aangestelde vertrouwenspersoon. Een dilemma. Graag een reactie op dit dilemma.

Ik zie uit naar de reactie van het CVO.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Schalk. Het woord is aan mevrouw Van Bijsterveld van JA21.