Verslag van de vergadering van 26 mei 2026 (2025/2026 nr. 30)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 14.03 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer De Vries i (SGP):
Dank, voorzitter. Ik wil vooraf graag alvast collega Musa succes wensen straks bij het uitspreken van haar maidenspeech. Ik kan haar niet feliciteren, want dan ben ik al geweest, dus ik doe dat nu alvast eventjes.
Even in reactie op collega Roovers. Toen ik in 1982 begon als leraar, ben ik in hetzelfde jaar ontslagen omdat er een overschot aan docenten was. Mijn bijdrage aan het onderwijs is dus geweest dat ik heb geholpen het overschot aan docenten om te zetten in een tekort.
Voorzitter. Ik ga het voornamelijk hebben over de kerndoelen voor digitale geletterdheid en burgerschap. Ik zal het lezen, schrijven en rekenen dus laten liggen. Enkele weken geleden werden er door artificiële intelligentie gegenereerde deepfakevideobeelden verspreid, die een totaal misvormd beeld van de Holocaust toonden. Onze Tweede Kamerfractie heeft een motie ingediend die beoogt het maken van zulke beelden strafbaar te stellen. Dat lijkt ook ons een goede zaak, maar het is zeker niet de hele oplossing van het probleem. Het zou namelijk een hele winst zijn als er een generatie opgroeit die in staat is om kritisch naar dat soort beelden te kijken.
Dan zitten we midden in wat in het wetsvoorstel "digitale geletterdheid" heet. Dat is het vermogen om verantwoord om te gaan met toepassingen en uitingen van digitale technieken zoals deepfakebeelden, zodat die beelden minder kans op succes hebben. Dat is van groot maatschappelijk belang. Daarom staat onze fractie positief tegenover dat onderdeel van het wetsvoorstel. Wanneer we kijken naar de conceptkerndoelen die zijn opgesteld door de Stichting Leerplanontwikkeling zien we dat de voorgestelde kerndoelen recht doen aan de vrijheid van scholen om zelf duiding te geven aan de ontwikkeling van zulke digitale technologieën.
Zo wordt er bijvoorbeeld bij het onderwerp artificiële intelligentie niet een bepaald mensbeeld opgedrongen aan scholen. Het staat scholen vrij om te kiezen tussen een wereldbeeld waarin mensen slechts bestaan uit materie en dus eigenlijk al aan robots gelijk zijn, en onze intelligentie geen andere basis heeft dan onze hersenen, of een wereldbeeld waarin de mens een uniek schepsel is dat een ziel heeft, waardoor het vrije beslissingen kan nemen en daarom verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden, in tegenstelling tot artificiële intelligentie. Kan de staatssecretaris bevestigen dat wij in die conceptdoelen inderdaad die inhoudelijke vrijheid zien?
Voorzitter. Voor onze fractie was de vrijheid van onderwijs meer een punt van zorg bij het andere belangrijke onderdeel van het wetsvoorstel, namelijk de kerndoelen voor burgerschap. Overigens zien wij wel een zekere relatie tussen digitale geletterdheid en burgerschap, in die zin dat digitale geletterdheid met enig recht best wel onderdeel genoemd zou kunnen worden van goed burgerschap, evenals trouwens wetenschappelijke geletterdheid, het vermogen om als burger kaas te maken van de soms tegenstrijdige uitkomsten van wetenschap. Onze fractie onderschrijft het belang van kerndoelen voor het leergebied burgerschap niet minder dan dat voor digitale geletterdheid.
Voor wat betreft de burgerschapsopdracht hebben we best wat schriftelijke vragen moeten stellen om helderheid te krijgen over de ruimte die er blijft voor het levensbeschouwelijke grondslag van een onderwijsinstelling, in combinatie met de nieuwe kerndoelen. Hier speelt met name de relatie tussen de kerndoelen en de in 2021 al aangenomen burgerschapsopdracht. Tijdens de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris al met zo veel woorden gezegd dat de kerndoelen een uitwerking van het onderwijsinhoudelijk deel van de wettelijke burgerschapsopdracht vormen. Onze fractie heeft kennisgenomen van de conceptkerndoelen voor burgerschap zoals die door de Stichting Leerplanontwikkeling zijn opgesteld. Het is ons duidelijk dat die, net als de kerndoelen voor digitale geletterdheid, niet een bepaalde ideologie aan de scholen opdringen, maar duidelijk de vrijheid laten om met inachtneming van de burgerschapsopdracht een eigen onderwijskundige en levensbeschouwelijke duiding te geven aan die kerndoelen. Dat beoordelen wij als positief. We vragen aan de staatssecretaris of wij ook hier op de juiste wijze de conceptkerndoelen lezen en of die ruimte daar inderdaad in aanwezig is.
Voorzitter. Het is goed om te zien dat met de conceptkerndoelen zoals ze nu zijn geformuleerd een breed curriculum aan leerlingen kan worden aangeboden. De koppeling met de burgerschapsopdracht geeft ons echter wel enige zorg met betrekking tot de handhaving van de combinatie van burgerschapsopdracht en kerndoelen. Een onderzoek dat twee jaar geleden is uitgevoerd door hoogleraar Renée van Schoonhoven van de Vrije Universiteit Amsterdam, heeft namelijk aangetoond dat de inspectie bij de handhaving van de burgerschapsopdracht regelmatig verder gaat dan wat er in de wetstekst voorgeschreven wordt. Er worden volgens dit onderzoek aanzienlijk meer herstelopdrachten aan scholen opgelegd dan strikt genomen door de burgerschapsopdracht gerechtvaardigd worden. Het meerdere dat door de inspectie geëist wordt, schuurt nogal eens met de vrijheid van onderwijs, omdat het vaak beoogt om een zekere levensbeschouwing toch impliciet aan die scholen op te dringen.
Als de kerndoelen hier versterkend gaan werken, dan is het des te meer van belang dat de inspectie zich echt beperkt tot wat wettelijk wordt voorgeschreven in de burgerschapsopdracht, en straks ook in de kerndoelen. Onze vraag aan de staatssecretaris is daarom: is de staatssecretaris bekend met het genoemde onderzoek, dat overigens ook door andere signalen uit de praktijk bevestigd wordt? Is de staatssecretaris het met onze fractie eens dat de inspectie zich heeft te beperken tot wat in de wet voorgeschreven wordt, en zich heeft te onthouden van allerlei toevoegingen, zeker als die een levensbeschouwelijke kleuring krijgen? Welke waarborgen stelt de staatssecretaris dat onderwijsinstellingen, uiteraard binnen de kaders van de burgerschapsopdracht, de vrijheid behouden om het onderwijsprogramma breed in te vullen naar de identiteit van de school? En ten slotte: hoe gaat de regering erop toezien dat de inspectie zich bij haar werk houdt aan die wetstekst en daar geen oneigenlijke uitbreiding aan gaat geven?
Voorzitter. Onze fractie ziet uit naar de beantwoording van onze vragen.
De voorzitter:
Ik dank u wel. U heeft een vraag van de heer Van Meenen van D66.
De heer Van Meenen i (D66):
Over het punt dat de inspectie zich moet houden aan datgene wat in de wet staat, hebben de SGP en D66 ooit nog eens een mooi initiatiefwetsvoorstel door deze Kamer gekregen. Dat kan ik dus alleen maar onderstrepen. Mijn vraag gaat over die burgerschapsopdracht, dus die wet uit 2021, die eigenlijk — ik zeg het even simpel — twee dingen onderschrijft: het onderwijs in burgerschap, dus bijvoorbeeld over hoe de rechtsstaat in elkaar zit, en de schoolcultuur. We zien nu in dit wetsvoorstel dat die schoolcultuur eigenlijk buiten beschouwing wordt gelaten, met een verwijzing naar de onderwijsvrijheid. Hoe kijkt de heer De Vries daarnaar?
De heer De Vries (SGP):
Ja, dat klopt. Vandaar dat die kerndoelen worden gesteld, als een uitwerking van dat eerste. Dat die schoolcultuur belangrijk is, onderschrijven we natuurlijk helemaal, maar dat is in dit wetsvoorstel niet aan de orde. Het gaat ons erom dat die kerndoelen versterkend zouden kunnen werken op de inspectie, als die bij die burgerschapsopdracht al wat uitgebreider te werk gaat en dan misschien in de kerndoelen een mooie aangelegenheid ziet om daar ook nog een tandje hoger te gaan.
De heer Van Meenen (D66):
Ja, als u mij toestaat, voorzitter … Dat is niet helemaal een antwoord op mijn vraag. In de wet zoals die nu voorligt, staat eigenlijk expliciet: we gaan voor die schoolcultuur geen kerndoelen formuleren. Dan doe je eigenlijk op dat vlak niets met de burgerschapsopdracht die in de oorspronkelijke wet zit. Dat begrijp ik niet. Ik begrijp niet waarom je niet iets zou kunnen zeggen over de schoolcultuur, bijvoorbeeld. Het was destijds bij de behandeling van die wet in 2021 zo dat de school als het ware een kleine samenleving is waar je leert met respect met elkaar om te gaan, verschillen van opvatting te beslechten door met elkaar te praten et cetera. Daar kun je toch echt prima kerndoelen aan verbinden, zou ik zeggen. Wat vindt de heer De Vries?
De heer De Vries (SGP):
Volgens mij hebben kerndoelen geen betrekking op wat een school moet doen, maar op wat leerlingen moeten kunnen en weten. In die zin is het natuurlijk ook terecht dat het wetsvoorstel hier niet spreekt over de burgerschapsopdracht, want die gaat over de school. Het is helemaal terecht dat de heer Van Meenen zegt dat het doel daarvan is om ervoor te zorgen dat de school een veilige omgeving is waar iedere leerling zich veilig kan voelen. Dat is een hele goede zaak. De kerndoelen — de staatssecretaris heeft dat in de Tweede Kamer ook al gezegd — zijn een soort uitwerking van de onderwijskundige kant daarvan. Als de school een veilige omgeving wil zijn, dan moet dat uiteraard ook een uitwerking hebben op het curriculum. Daar gaan de kerndoelen over. Volgens mij zegt dit wetsvoorstel niks over de schoolcultuur, want kerndoelen gaan over wat leerlingen moeten kunnen en weten.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Meenen. O, u heeft geen interruptie meer. Dank u wel, meneer De Vries. U was aan het einde van uw betoog. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Musa van de VVD. Zij houdt vandaag haar maidenspeech.