T04224

Toezegging Toezenden eerste brief (van twee) met o.a. samenwerkingsagenda met medeoverheden, casussen, inzicht in uitvoerbaarheid en verbetering monitoring, en duiding van de BFU (36.800 B en C)



De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Fiers (GroenLinks-PvdA), Lievense (BBB), Moonen (D66), Van Hattem (PVV) en Janssen (SP), toe naar aanleiding van het rapport van de commissie-Polman, de adviezen van de ROB en de motie-Fiers (1) een verkenning uit te voeren naar de financiële posities van medeoverheden en de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht door (2) met de vakministeries, medeoverheden en de VNG en de ROB in gesprek te gaan. Het doel van de verkenning is (3) om inzicht te geven in en het overzicht van de medebewindstaken te verkrijgen, te versterken en te borgen. Deze zomer zal (4) een eerste brief (van twee) naar de Kamer worden gezonden met een samenwerkingsagenda en casuïstiek op een aantal taken, verdieping van het inzicht in de balans bij een aantal taken en lessen voor verbetering van de monitoring om het gesprek tussen overheden te verbeteren. (5) Hiervoor wordt onder andere nadere duiding gegeven hoe de bijzondere fondsuitkering, de BFU, onderdeel van de te wijzigen Financiële-verhoudingswet, kan bijdragen aan een betere monitoring van taken en aan een beter gesprek hierover, zowel tussen Rijk en koepels als tussen kabinet en de Kamer. In deze brief zal de minister tot slot (6) een expliciet tijdspad opnemen en ingaan op het vervolgproces volgend op de verkenningen dat tot besluitvorming moet leiden. Als de gesprekken als uitkomst hebben dat er aan de financiële middelen iets moet gebeuren, zal de minister dat samen met de betreffende vakminister aan de orde stellen bij de integrale financiële besluitvormingsmomenten in het voorjaar en bij de begrotingen.


Kerngegevens

Nummer T04224
Status openstaand
Datum toezegging 15 juni 2026
Deadline 1 september 2026
Verantwoordelijke(n) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kamerleden drs. M.C.T. Fiers (PRO)
A.W.J.A. van Hattem (PVV)
mr. R.A. Janssen (SP)
R. Lievense (BBB)
Ir. ing. C.P.M. Moonen (D66)
Commissie commissie voor Binnenlandse Zaken (BIZA)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen Financiële-verhoudingswet
gemeentefonds
medebewindstaken
provinciefonds
Rapport commissie-Polman
ROB, adviesaanvragen
Kamerstukken Begrotingsstaat provinciefonds 2026 (36.800 C)
Begrotingsstaat gemeentefonds 2026 (36.800 B)


Uit de stukken

Handelingen I 2025/2026, nr. , item , p. .

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

De analyse van twee rapporten van de Raad voor het Openbaar Bestuur, "Afrekenen met disbalans" en "Meters maken met medebewind", over de disbalans tussen de taken, bevoegdheden en middelen van de medeoverheden en het ontbreken van voldoende inzicht hierin bij het parlement om de controlerende taak uit te kunnen oefenen is identiek voor gemeentes en provincies. Op de website van het IPO staat hierover te lezen: "De rol van provincies verandert. Verantwoordelijkheden en opgaven nemen toe. Maar de belangrijkste financieringsbron — het provinciefonds — groeit niet voldoende mee. De financiële positie van de twaalf provincies verslechtert daardoor en dat vraagt om nieuwe afspraken. Provincies vervullen taken voor bijvoorbeeld onderhoud aan infrastructuur en het openbaar vervoer. Maar provincies worden ook steeds vaker naar voren geschoven bij het oplossen van grote maatschappelijke vraagstukken zoals: stikstof, natuurherstel, landbouwvernieuwing, bodemgebruik en waterbeheer. Hierdoor raakt de financiële verhouding tussen wat er moet gebeuren en wat daarvoor beschikbaar is uit balans. De opgaven worden groter, terwijl de bijbehorende middelen niet meegroeien. Dat zorgt voor grote onrust en onzekerheid bij de provincies. Dit is niet langer houdbaar en moet anders." Hierover heb ik een vraag aan de minister. Deelt de minister de analyse van de ROB en de provincies over de ontstane disbalans en het ontbreken van inzicht?

Mevrouw Moonen (D66):

(…)

Daarnaast is er ook gevraagd om een verkenning om inzicht te krijgen in de taken van de provincies en in de vraag of de budgetten in balans zijn met de taken. De fractie van D66 hecht eraan dat deze verkenningen snel worden uitgevoerd; een aantal collega's spraken daar ook al over. Het gaat over een infrastructuurverkenning; mevrouw Fiers noemde die ook. Het gaat ook over een ov-verkenning en een natuurverkenning. De vraag is om het rapport van Berenschot, dat expliciet over de natuur gaat, dan ook mee te nemen. Kan de minister aangeven wanneer die verkenningen allemaal zijn uitgevoerd? Kan hij gewoon duidelijk maken: de infrastructuurverkenning heb ik dan en dan af en de verkenningen op het gebied van regionale ov en natuur zijn dan en dan gereed? Het is overigens goed dat daarmee wordt gestart; laten we daar ook eerlijk over zijn. Maar wanneer kunnen we deze verkenningen allemaal tegemoetzien?

Minister Heerma:

(…)

Eerst zal ik kort iets zeggen over deze vier lijnen en dan zal ik komen tot de beantwoording van de in dit debat gestelde vragen. De eerste lijn betreft het versterken van de samenleving. Nederland staat voor grote maatschappelijke opgaven. Het realiseren daarvan lukt alleen als het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen elkaar vinden en met elkaar samenwerken. Recentelijk werd dat benadrukt in het rapport Samen bouwen aan resultaten van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen. Wij omarmen als kabinet dan ook de aanbevelingen uit dit rapport. Daarom wordt er door het Rijk en de medeoverheden nu gewerkt aan een samenwerkingsagenda. Hiermee maken we als kabinet samen met de medeoverheden een nieuwe start voor de gezamenlijke aanpak van maatschappelijke opgaven, zodat we resultaten boeken voor onze inwoners. Het kabinet en de medeoverheden streven ernaar deze samenwerkingsagenda in september af te ronden. Die stuur ik daarna uiteraard naar uw Kamer.

Dan de tweede lijn: het verder werken aan balans. Gezien het belang van dit thema voor uw Kamer kom ik hier uitgebreider op terug, zeker ook in het debat van vanavond, waar ik eerder al naar verwees. Het kabinet heeft oog voor de financiële posities van medeoverheden en is zich bewust van de gedeelde verantwoordelijkheid van het Rijk en de medeoverheden om samen te werken aan de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Ik begrijp de zorgen die uw Kamer op dit belangrijke vraagstuk heeft. U heeft terecht aandacht gevraagd voor een goed zicht op de uitvoering daarvan en voor balans bij medeoverheidstaken en de ROB-rapporten hierover.

Het gesprek hierover vind ik belangrijk en ik wil hierop een stap naar voren zetten. Het gesprek over de balans en de omvang van de koek moeten we gericht kunnen voeren. Het gaat echter niet alleen om geld. De oplossingen bij disbalans liggen ook op het vlak van bevoegdheden en inhoudelijke sturing door het Rijk en de medeoverheden. Daarom wil ik vooral de blik vooruit hebben. Ik ben hiermee aan de slag, mede op basis van de adviezen van de ROB over medebewind en de net al aangehaalde motie rondom een verkenning. Die verkenning heeft als doel het inzicht in en het overzicht van de medebewindstaken verkrijgen, versterken en borgen, ook voor uw Kamer. Deze verkenning vindt samen met de VNG en het IPO plaats. We zijn het eens over de aanpak. We houden ook de ROB hierbij betrokken, in hun onafhankelijke rol.

Ik zal u de komende maanden ten minste twee keer over de voortgang hiervan informeren. Dat is deze zomer met een brief met een agenda en cas, met inzicht wat betreft de uitvoering en de lessen die getrokken worden. Er wordt ook ingegaan op de verbetering van de monitoring om het gesprek tussen overheden te verbeteren. Dit najaar kom ik met een brief die uitgebreider ingaat op het verbeterde overzicht van medebewindstaken. Met uw Kamer ga ik aan de hand daarvan graag het gesprek aan over deze agenda en hoe die u gaat helpen in uw informatiepositie.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Alles gaat nu door elkaar heen lopen, denk ik. Ik ga het dus toch maar even proberen. Het gaat nu even over de verkenning. Dat is natuurlijk een belangrijk punt waar wij het ook vorig jaar over hebben gehad in het kader van als Kamer oordelen over: staan die fondsen — zowel het gemeentefonds als het provinciefonds — nou in verhouding tot de taken? Toen hebben we de ROB gevraagd om ons te helpen. Die hebben een van de rapporten uitgebracht. Dat heeft uiteindelijk geleid tot een advies om het op een bepaalde manier aan te pakken.

Toen kregen we vanuit het vorige kabinet, van uw voorganger, de brief waarin ik las: dat gaan we niet doen, de ROB heeft een leuk advies bedacht, maar dat is allemaal veel te complex en te gedetailleerd, wij gaan een verkenning doen. Ik ben eigenlijk tot op de dag van vandaag op zoek naar wat nu precies het verschil is tussen het advies van de ROB en de verkenning die de minister gaat doen. Ik ben namelijk een beetje bezorgd — en dan komt mijn vraag, voorzitter — dat die verkenning straks niet gaat opleveren waar wij hier in de Kamer op zitten te wachten. Dus kunt u, los van het feit dat u als proces aangeeft wanneer er een brief komt, proberen mij uit te leggen wat nou precies die verkenning gaat opleveren? En wat is het verschil tussen de verkenning en het advies van de ROB?

Minister Heerma:

Het lid Fiers gaf bij de start van haar eerste termijn al iets aan over de volgorde van dit debat. Ik ben een beetje in dubio of we dit nu hier bij dit debat helemaal moeten doen, want ik heb in het begin expliciet aangegeven, dat ik er niet omheen kan om het bij beide aan te geven. Ik heb geprobeerd in deze algemene schets aan te geven dat we serieuze stappen willen zetten. Ik kan me voorstellen, ook naar aanleiding van de breed ondertekende motie van het lid Fiers, dat we hier in het tweede debat uitgebreid op terug kunnen komen, want ik begrijp heel goed de wensen vanuit de Kamer en ook de volhardendheid die er is ontstaan door de eerdere beantwoording. Ik ga proberen te schetsen hoe wij serieus invulling willen geven aan zowel de motie als de adviezen, met die verkenning en de toezeggingen die ik nu net met twee brieven … Ik zie geknik. Dit was een deel van het dilemma dat ik ook had in de schorsing net: er nu niks over zeggen is raar omdat er ook naar gevraagd is. Tegelijkertijd hoort het in de opbouw meer bij het andere debat.

Toch in afronding op dit punt, en ik verwacht daar vanavond in de eerste termijn vanuit uw zijde veel meer vragen over, gegeven de voorgeschiedenis. Deze bouwstenen leiden tot meerdere gesprekken tussen onder andere vakministers, het IPO en de VNG. Waar nodig acht ik het mijn rol deze gesprekken aan te jagen. In al deze gesprekken zal steeds de vierslag aan de orde zijn: ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht, conform ook het rapport van de commissie-Polman.

Zoals reeds eerder gezegd, gaat het niet alleen om financiële middelen. Er kan ook worden gekeken naar het bijstellen van ambities of het anders beleggen van taken. Ook moet er rekening mee worden gehouden als een van de partijen de uitvoeringskracht niet op orde heeft, onder andere als gevolg van arbeidsmarktvraagstukken die ook breed spelen. Als deze gesprekken als uitkomst hebben dat er aan de financiële middelen iets moet gebeuren, zal ik dat samen met de betreffende vakminister aan de orde stellen bij de integrale financiële besluitvormingsmomenten in het voorjaar en bij de begrotingen.

De heer Lievense (BBB):

(…)

Ja, even een hele korte interruptie. Ik ben heel blij dat de minister aangeeft dat we het gesprek aangaan over taken en middelen, maar je kan het gesprek aangaan … Een taak verzinnen of een taak bedenken — verzinnen is het nooit, het is bedenken — is heel makkelijk. We kunnen allemaal heel makkelijk taken bedenken en er ook geld bij bedenken. Maar vervolgens onszelf afvragen — en dat is de vraag aan de minister — of die taak nog nodig is, of dat we het anders organiseren, of die gewoonweg schrappen, behoort dat ook tot deze exercitie?

Minister Heerma:

Nou, de reden om deze vier elementen steeds te benadrukken … Ik heb hierover aan de andere kant in het parlement al een aantal debatten gehad, waarbij de discussie vaak werd beperkt tot taken en knaken. Het rapport van de commissie-Polman pakt alle vier. Op het moment dat je het hierover hebt met elkaar — het is ook onderdeel van de samenwerkingsagenda waar ik naar verwees — dan is het belangrijk om ze alle vier in het oog te houden.

De heer Janssen (SP):

Even heel kort. De minister zei dat zo'n gesprek kan leiden tot bijvoorbeeld het bijstellen van ambities. Mag ik de minister in het verlengde van mijn eerste termijn zo begrijpen dat het ook kan leiden tot het bijstellen van ambities aan de kant van het kabinet, als blijkt dat het niet realistisch is om van een provincie te verwachten dat die er een bijdrage aan levert om de kabinetsambitie waar te maken? Of is het alleen aan de andere kant dat u zegt: die provincie is wat te ambitieus en die zal de eigen ambities wat bij moeten stellen?

Minister Heerma:

In de eerste plaats weet ik niet of ik het eens ben met de toonzetting "de provincie is te ambitieus". Bij de samenwerkingsagenda gaat het, ook volgend op het rapport van de commissie-Polman, juist over de vraag of de bestaande ambities, de taken die daaruit voorkomen, de middelen die daarvoor beschikbaar zijn en de uitvoeringskracht met elkaar in balans staan. Het is dat balansvraagstuk. Dan gaat het dus ook over de vraag of datgene wat gevraagd wordt van provincies realistisch is, gegeven de samenhang van deze vier zaken. Dat is niet per se een kwestie van "die provincie is te ambitieus". Ik vind het lastig om op de specifieke onderwerpen die de heer Janssen noemt en waar ik ook niet over ga, te gaan speculeren wat de uitkomsten zijn. Maar in algemene zin geldt: als je met elkaar in een medeoverhedenoverleg en bij een samenwerkingsagenda deze vier zaken bekijkt, dan geldt ook dat je er open aan beide kanten naar moet kijken.

De heer Janssen (SP):

(…)

Ik heb die overleggen acht jaar lang meegemaakt en die gaan ook nog heel lang duren. Die zijn na mijn periode nog heel lang doorgaan en zullen ook in de toekomst nog heel lang doorgaan. Maar mijn vraag was eigenlijk heel concreet: er is wel sprake van een werking twee kanten op. Begrijp ik de minister dan goed dat hij ... Ik heb niet gezegd "de provincies zijn te ambitieus". Ik heb juist gevraagd of het zo kan zijn dat een kabinetsambitie te hoog gegrepen is voor een provincie en dat het kabinet dus z'n ambitie iets terug zou moeten schroeven, omdat die de realisatiekracht en de financiële draagkracht van de provincie op dat moment overstijgt.

Minister Heerma:

Ik snap dat de heer Janssen, ook vanuit zijn eigen ervaring, refereert aan deze overleggen. Het is natuurlijk wel zo dat als je terugkijkt op de afgelopen jaren, die overleggen niet in de allerbeste verhoudingen hebben plaatsgevonden, en dat er een noodzaak is om die verhoudingen te herstellen. Dat is ook onderdeel van het rapport van de commissie-Polman. Dat is overgenomen in het coalitieakkoord. Daarvoor werken we nu aan die samenwerkingsagenda. Daarin zal breed, aan beide kanten, gekeken moeten worden naar de balans tussen de genoemde vier zaken. Aan beide kanten.

(…)

Ik begin bij de ROB. De Raad voor het Openbaar Bestuur sneed in zijn adviesrapporten, Afrekenen met disbalans en Meters maken met medebewind, terecht aan dat het niet in alle gevallen lukt om als Rijk en decentrale overheden het juiste gesprek met elkaar te voeren over taken, waardoor er sprake is van disbalans tussen taken, middelen, bevoegdheden en uitvoeringskracht. Inzicht krijgen in de omvang en oorzaken van die disbalans die zich op een taak manifesteren, duurt vaak te lang. Dit leidt tot frustratie aan beide zijden. Eerder gaf ik al aan dat we op dit punt met een verkenning bezig zijn met het IPO en de VNG. We hebben net gezegd dat we vanavond uitgebreider met elkaar terugkomen op wat u daarvan kunt verwachten.

Momenteel voer ik samen met de koepels, de VNG, het IPO en de betrokken ministeries deze verkenning uit naar aanleiding van de rapporten van de ROB en de kabinetsreactie daarop. Doel van de verkenning is tot een concreet voorstel komen voor hoe monitoring van medebewindtaken kan bijdragen aan een beter gesprek over die balans. In de verkenning zullen verschillende varianten uitgewerkt worden met als doel inzicht in en overzicht van de medebewindtaken verkrijgen, versterken en borgen. Centraal daarbij staat de uitwerking van de casuïstiek van een aantal taken. Op basis van een nadere analyse verdiepen we het inzicht in de balans en trekken we lessen over hoe de monitoring te verbeteren. In de verkenning zal er aandacht zijn voor de balans tussen enerzijds de wens en urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht, en anderzijds de fundamentele uitgangspunten binnen ons stelsel, de gedecentraliseerde eenheidsstaat, zoals eigen beleidsruimte en een verantwoordelijkheid die medeoverheden hebben, en ook een beperking van administratieve lasten.

Mevrouw Moonen (D66):

Mijn vraag aan de minister is als volgt. Bij die uitgangspunten van de verkenning is een wettelijke verplichting een uitgangspunt. Ik noemde bijvoorbeeld het Natuurpact, maar het geldt bijvoorbeeld ook voor water, bijvoorbeeld als het gaat om grondwater en waterkwaliteit. Decentrale overheden hebben ook wettelijke verplichtingen. Ik kan me voorstellen dat dat een heel belangrijk uitgangspunt is bij het aangeven van de ambities. Een wettelijke verplichting is namelijk niet iets vrijblijvends.

Minister Heerma:

Tegelijkertijd geldt daarbij, terugkijkend naar het debat dat u hier vorig jaar heeft gehouden: ook al ligt er een wettelijke verplichting of een taak, dan geldt nog steeds dat het gesprek over de balans tussen de ambities die daarachter liggen, de financiële mogelijkheden en de uitvoeringskracht gevoerd moet blijven worden. Ik kom zo nog op de UDO. Als er wettelijke verplichtingen bij komen maar er tegelijkertijd steeds minder balans is, dan loop je het risico dat het steeds meer gaat knellen.

Mevrouw Moonen (D66):

(…)

Daaruit maak ik op dat wettelijke verplichtingen als zodanig niet onderhandelbaar zijn. Die staan.

Minister Heerma:

In algemene zin geldt dat ook wetgeving aangepast kan worden. De discussie over de vraag of zaken in balans zijn, kan ook tot de discussie leiden of wetgeving aangepast moet worden, zonder al te veel in specifieke voorbeelden te vervallen. Het antwoord op de vraag die het lid Moonen stelt, is: ja, tenzij de wetgeving wordt aangepast.

(…)

Excuus, voorzitter. Het lid Fiers van de fractie GroenLinks-Partij van de Arbeid informeerde naar de implementatie van de vijf bouwstenen van de studiegroep-Polman. Zoals ik al in mijn inleiding aangaf, omarmt het kabinet de aanbevelingen van deze commissie. Die staan ook vrij uitgebreid in de eerste pagina's van het coalitieakkoord. We werken op dit moment samen met de medeoverheden aan een samenwerkingsagenda. We streven ernaar om deze in september af te ronden. In de aanloop daarnaartoe vindt er in de komende maanden nog een aantal keren overleg plaats met de medeoverheden over de invulling daarvan.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

(…)

Ik had gevraagd naar de bouwstenen en de implementatie. U bent net als minister aangetreden en u komt aan al die overlegtafels. Ik ben benieuwd naar uw persoonlijke ervaring. Hoe gaat dat? Ik snap het proces. Er komt een samenwerkingsagenda. Dan staat het allemaal mooi op papier, maar hoe gaat de samenwerking? Hoe zit men daar aan tafel en hoe kijkt u naar de rol van het Rijk? Ik wil even iets meer kleuring dan een vrij zakelijk procesantwoord.

Minister Heerma:

Ik zit daar als minister natuurlijk niet als een soort onafhankelijke verslaggever aan tafel. Dat maakt dit een ingewikkelde vraag. Ik zie dat er vanuit de medeoverheden de behoefte is om te komen tot een betere samenwerking, ook door ervaringen uit het verleden. Voor hen is het feit dat het kabinet de aanbevelingen van de commissie-Polman serieus neemt, onderdeel van, om het in het Engels zeggen, the proof of the pudding is in the eating. Het zijn stevige gesprekken met als doel — dat voel ik aan alle kanten — om in dit najaar te komen tot een goede samenwerkingsagenda. Dat is wat ik erover kan zeggen. Voor de rest ben ik niet voornemens om als verslaggever op elk onderdeel uiteen te zetten hoe iedereen daar aan tafel zit. Maar ik voel aan alle kanten de intentie om tot een samenwerkingsagenda te komen en tot een betere verhouding dan wellicht in de afgelopen jaren het geval is geweest. Of dat gaat lukken, is ook onderdeel van het proces van de komende maanden. De intentie is in ieder geval om in september met die samenwerkingsagenda te komen.

Mevrouw Moonen (D66):

(…)

Dank aan de minister voor de heldere beantwoording van de vragen en voor de concrete toezegging die werd gedaan aan Lievense en aan collega Fiers over de UDO en de Financiële-verhoudingswet. Dat is ook voor D66 een belangrijke kwestie. Ik vind het ook zeer goed dat u vaart achter die verkenningen zet. Ik begrijp ook heel goed de taakverdeling tussen de vakministers wat betreft bijvoorbeeld infrastructuur en natuur.

Tegelijkertijd wil ik de minister verzoeken om straks, als de verkenningen gereed zijn, tot besluitvorming te komen. Dan zijn we al twee brieven verder, namelijk die van de zomer en die van het najaar. Vaak stellen regeringen commissies in. Die commissies komen dan met adviezen en verkenningen. Uiteindelijk is het belangrijk dat er besluiten worden genomen en dat u een goede balans vindt tussen de ambities, taken, financiën en uitvoeringskracht.

Ik pleit vanuit de fractie van D66 ook voor een doorbraak, of een besluit dat voorspelbaarheid geeft aan al die provincies, want ze hebben behoefte aan zekerheid op de lange termijn wat betreft de financiën. Dat is juist ook voor de uitvoeringskracht noodzakelijk. Ik wens de minister toe dat er na die verkenningen daadwerkelijk tot besluitvorming wordt overgegaan. Dan ligt alle informatie er. Ik wil best nog in tweede termijn een reactie van de minister horen op de vraag hoe de besluitvorming plaatsvindt wanneer de verkenningen er liggen.

Minister Heerma:

Mevrouw Moonen van D66 gaf de noodzaak tot besluitvorming naar aanleiding van de verkenning aan. Ik ben het hiermee eens. Ik heb een proces geschetst rondom die verkenning. We stelden daarover met elkaar dat het vanavond terug zal komen. Tegelijkertijd kijk ik uit naar de gesprekken met uw Kamer zodra de uitwerking van inzicht en overzicht er is. Ik zal in mijn brief in de zomer ook expliciet ingaan op het vervolgproces, zodat dat we dat met elkaar kunnen doen.

Handelingen I 2025/2026, nr. , item , p.

Minister Heerma:

Allereerst de aanleiding. De Raad voor het Openbaar Bestuur sneed in zijn adviesrapporten Afrekenen met disbalans en Meters maken met medebewind terecht aan dat het niet in alle gevallen voldoende lukt om als Rijk en decentrale overheden het juiste gesprek te voeren over taken. Daardoor is er sprake van disbalans tussen taken, middelen, bevoegdheden en uitvoeringskracht. Het duurt vaak te lang om inzicht te krijgen in de omvang en oorzaken van de disbalans, die zich op een taak manifesteren. Dit leidt tot frustratie aan beide zijden. Eerder in mijn betoog meldde ik al dat we de verkenning op dit moment samen met IPO en VNG uitvoeren. Dat was een nadrukkelijke wens die de heer Van der Goot in zijn bijdrage uitte. Hij wilde dat de koepels hierbij betrokken worden. Dat is de bedoeling en ik kan dus ook toezeggen dat dit gebeurt.

Mevrouw Fiers (GroenLinks-PvdA):

Misschien even ter verduidelijking: het gaat over de aanleiding van het onderzoek. Die aanleiding kwam ook vanuit deze Kamer. Wij zeiden namelijk dat we geen inzicht hebben en daardoor niet kunnen doen wat van ons gevraagd wordt: toetsen of de taken in verhouding staan tot het geld. Deelt de minister die conclusie van het rapport? Het begint tenslotte altijd bij een gezamenlijk startpunt. En geldt dat ook voor hemzelf? Wij zeggen: wij hebben dat inzicht niet en kunnen daardoor niet toetsen of het gemeentefonds wel voldoet. Dat is ook wat de ROB klip-en-klaar constateert. Mijn vraag aan de minister: is hij het eens met die conclusie? Zo nee, waarom niet? En geldt dat ook voor hemzelf?

Minister Heerma:

Ik wil voorkomen dat we in de discussie van vorig jaar terechtkomen, maar tegelijkertijd kan ik niet anders dan erin meegaan dat de motie uitgevoerd moet worden en dat er dus meer inzicht moet komen. Daarom sprak ik net over de monitoring en over de vraag hoe we de motie gaan uitvoeren om meer inzicht en overzicht te geven. Tegelijkertijd kan ik op dit moment niet anders. In het laatste stuk van de eerste termijn van de Kamer ging het gesprek op een gegeven moment over gemeentes die geld over de balk smijten. Het ging in detail over gemeentes die andere dingen doen dan wij met elkaar — althans sommigen in dit parlement — vinden dat ze zouden moeten doen. Wat er vorig jaar in de beantwoording, in de balans, misschien is misgegaan, is dat de nadruk te veel op de risico's is gelegd, waardoor het beeld is ontstaan dat we de adviezen niet serieus nemen en de motie niet willen uitvoeren. Tegelijkertijd is het in de praktijk lastig om overzicht te geven en moeten we dus opletten hoe we daar met elkaar mee omgaan. Maar dat is geen reden om het niet te doen.

(…)

Ik was gebleven bij wat de verkenning gaat opleveren en wanneer dat gebeurt. Verschillende leden vroegen naar de voortgang van de verkenning. De heer Van Hattem van de PVV wenste hierbij een grote mate van concreetheid. Ik ga mijn best doen. Dan is het aan de heer Van Hattem om te oordelen of de concreetheid groot genoeg is. Zoals ik aangaf, zal ik in de komende maanden bij twee gelegenheden uw Kamer expliciet informeren over de voortgang van de verkenning. De eerste gelegenheid is komende zomer, met het traject inzicht, met daarbij het verdere vervolg en de agenda die hierbij hoort. De tweede gelegenheid is in het najaar, bij het traject overzicht.

Bij het inzichttraject gaat het om het uitwerken van casuïstiek op een aantal taken. Op basis van een nadere analyse hiervan verdiepen we het inzicht in de balans bij een aantal taken en trekken we lessen voor verbetering van de monitoring. Ook trekken we hieruit lessen voor het beter voeren van het gesprek over disbalans. De aanbevelingen van de commissie-Polman nemen we hier vanzelfsprekend in mee.

Verder stellen we een nadere duiding op van hoe de bijzondere fondsuitkering, de BFU, onderdeel van de te wijzigen Financiële-verhoudingswet, kan bijdragen aan een betere monitoring van taken en aan een beter gesprek hierover, zowel tussen Rijk en koepels als tussen kabinet en uw Kamer. De opbrengst van het inzichttraject en de duiding van de BFU ontvangt u dus deze zomer, met de agenda.

(…)

De begrotingsbehandeling staat volgens mij op dit moment gepland voor begin november. Ik probeer mijn toezegging daarvoor gestand te doen. Ik zal een tijdpad zetten in de brief die uw Kamer van de zomer krijgt. Ik moet een kleine slag om de arm houden, maar ik begrijp waar de vraag van mevrouw Fiers vandaan komt.

De vraag is: hoe gaan we om met de verkenning zodra die er is? Ik kan daar niet op vooruitlopen en nu aangeven wat de uitkomst van de verkenning precies gaat zijn. De verkenning zal aandacht besteden aan de balans tussen enerzijds de wens en urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht, en anderzijds de fundamentele uitgangspunten binnen het huidige stelsel, waar ik het zojuist al over heb gehad, en de beleidsruimte van medeoverheden. Wat ik voor me zie, is dat we op basis van de opbrengst van de verkenning handvaten hebben voor een beter gesprek over de taken tussen departementen, BZK en de koepels en dat we komen tot een beter proces om met disbalans om te gaan. Ik zal uw Kamer informeren over welke concrete stappen daarbij horen.



Brondocumenten


Historie

  • 15 juni 2026
    toezegging gedaan