Verslag van de vergadering van 26 oktober 2026 (2026/2027 nr. 05)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 17.05 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Karaaslan-Kilic i (D66):
Voorzitter. Democratie begint niet alleen hier, in deze Kamer. Zij begint ook in een raadszaal, in een buurthuis of bij dat ene kruispunt waar inwoners zich al maanden zorgen over maken. Daar is iemand nodig die luistert, doorvraagt en verslag doet. Vaak is dat de lokale journalistiek. Precies daarom is lokale journalistiek belangrijk. Lokale omroepen vertellen inwoners wat er speelt, houden het lokale bestuur kritisch in de gaten en geven ruimte aan onderwerpen en stemmen die anders misschien niet gehoord worden. Zo kunnen inwoners meepraten en meebeslissen over hun eigen omgeving. D66 verwelkomt daarom dit wetsvoorstel dat lokale omroepen een stevigere basis moet geven. De huidige versnippering van de sector en de kwetsbare financiering maken het voor omroepen moeilijk om te blijven bestaan en overal kwalitatieve, goede journalistiek te bieden. Met stabiele structurele financiering en meer ruimte voor professionalisering in de journalistiek en samenwerking kunnen lokale omroepen een robuuster stelsel vormen en meer middelen besteden aan de journalistiek zelf. Schaalvergroting kan daaraan bijdragen, maar is nooit een doel op zich. De lokale verbondenheid en herkenbaarheid van de journalistiek moet behouden blijven. Toch heeft de D66-fractie een aantal vragen over de uitwerking van deze wet, met name over de financiering, de schaalvergroting en het toezicht. Graag leg ik daarover een aantal vragen aan de minister voor.
Het huidige financieringsmodel is een belangrijke stap vooruit. D66 steunt de keuze om de financiering minder afhankelijk te maken van gemeenten. Lokale journalisten moeten kritisch kunnen berichten over hun gemeentebestuur zonder dat de financiering van hun omroep afhankelijk is van datzelfde bestuur. Tegelijkertijd roept de overgang naar landelijke financiering vragen op. Uit de memorie van toelichting blijkt dat sommige gemeenten momenteel minder bijdragen dan het aanbevolen richtsnoerbedrag, terwijl andere gemeenten juist structureel extra investeren in hun lokale omroep. Als die extra bijdragen wegvallen, kan de continuïteit van lokale nieuwsvoorziening in bepaalde gebieden onder druk komen te staan. Hoe beoordeelt de minister dit risico? Hoe wordt ervoor gezorgd dat het nieuwe financieringsmodel als geheel leidt tot een robuuster stelsel waarin lokale omroepen ook op lange termijn voldoende middelen hebben om kwalitatief goede en onafhankelijke journalistiek te verzorgen?
Dit wetsvoorstel bepaalt dat gemeenten aanvullende financiering mogen verstrekken, maar dat niet zomaar kunnen doen en daar niet zomaar voorwaarden aan kunnen verbinden. Mijn collega-senator van de PRO-fractie noemde dat ook al in haar tekst. Wij begrijpen dat redactionele onafhankelijkheid voorop moet staan. Tegelijkertijd kan dit gemeenten terughoudender maken om extra geld beschikbaar te stellen.
In de voorbereiding op dit debat heb ik met een aantal gemeenten gesproken die signalen hebben gegeven dat zij terughoudend zijn om extra geld beschikbaar te stellen, omdat zij vrezen dat dit als ongeoorloofde staatssteun aan een commerciële partij kan worden gezien. Lokale omroepen vervullen echter een publieke taak. Het is belangrijk dat gemeenten er duidelijkheid over krijgen wat zij wel en niet mogen financieren. Projectmatige subsidies blijven mogelijk, maar journalistiek vraagt om continuïteit. Hoe kijkt de minister naar deze spanning? Welke ruimte hebben gemeenten precies om lokale omroepen aanvullend te ondersteunen? Hoe voorkomt de minister dat deze regels gemeenten ontmoedigen om bij te dragen?
Een stabiele financiering is essentieel voor sterke lokale journalistiek, maar die financiering moet dan niet alleen onafhankelijk zijn. Ze moet ook bijdragen aan een toekomstbestendig stelsel, waarin inwoners in iedere gemeente kunnen rekenen op betrouwbare berichtgeving over hun eigen omgeving. Daar gaat mijn tweede punt over. Dat is namelijk de schaalvergroting. Met dit wetsvoorstel wordt het aantal lokale omroepen teruggebracht van 224 naar maximaal 80. Uit de stukken begrijpen we dat vooral de teruggang naar 80 een initiatief van onderop is. D66 ziet de voordelen van samenwerking, omdat veel lokale omroepen te klein en te kwetsbaar zijn om goede journalistiek te verzorgen. Bundeling van krachten kan voordelen bieden. Omroepen kunnen kennis delen, kosten besparen en samen investeren in journalistiek en digitale vernieuwing. Daardoor kan uiteindelijk meer geld naar journalisten en programmamakers gaan. Maar zoals ik al zei, mag schaalvergroting nooit een doel op zich worden. Wanneer verzorgingsgebieden groter worden, bestaat het risico dat bepaalde dorpen, wijken en gemeenschappen minder aandacht krijgen. Een omroep kan op papier een heel gebied bedienen, terwijl inwoners zich in de berichtgeving nauwelijks herkennen. Dat risico speelt in het bijzonder in dunbevolkte regio's, waar de afstanden groot zijn en gemeenten en kernen sterk van elkaar kunnen verschillen. Een verdeling van middelen op basis van inwoneraantal houdt niet vanzelfsprekend rekening met de journalistieke inspanning die nodig is om al die gemeenschappen te bereiken. Hoe zorgt de minister ervoor dat ook kleine gemeenten en dorpen voldoende in beeld blijven? Als later blijkt dat een omroep sommige plaatsen nauwelijks verslaat, wie grijpt dan in, en hoe?
Mijn laatste punt gaat over duidelijkheid over het toezicht. Een goed functionerend stelsel vraagt niet alleen om voldoende financiering en sterke omroepen, maar ook om duidelijkheid over verantwoordelijkheden en goed toezicht.
Mevrouw Lagas i (BBB):
Ik wilde nog graag even reageren op dat middelste blokje, in het bijzonder over de dekking van een gebied. In het betoog van mevrouw Karaaslan mis ik de democratie, de D66-democratie. Het is, hoop ik, bekend dat in de kleinere gemeenten in Nederland de lokale partijen over het algemeen vrij sterk politiek aanwezig zijn. De ervaring in de afgelopen jaren leert echter dat waar politieke debatten gevoerd werden, de lokale partijen niet echt aan bod kwamen. Ik ga maar even uit van mijn eigen gebied, waar in de gemeente Zwolle de journalistiek zat om dat te gaan doen. Ik vraag dan ook: hoe ziet u het voor zich dat de democratie voor al die lokale partijen in de dunbevolkte gebieden geborgd kan blijven wanneer er een grote regionale omroep is die met de journalisten aan de gang gaat voor het grote geheel?
Mevrouw Karaaslan-Kilic (D66):
Dat vind ik best wel een ingewikkelde vraag, want een en ander moet in de praktijk nog uitwerken, met name wat betreft de werking van het pbo. Daar gaat straks ook een van mijn vragen over. Het moet duidelijk zijn dat het pbo een goede vertegenwoordiging van een gebied moet zijn en, net als collega-senator van Forum voor Democratie aangaf, een goede representatieve vertegenwoordiging van dat hele gebied. Het moet dus niet gaan om alleen een meerderheid van iets, maar om een goede pluriformiteit van het hele gebied.
Mevrouw Lagas (BBB):
Het is fijn om te horen dat mevrouw Karaaslan zich daar zorgen over maakt. Ik denk dat die zorgen nog weleens groter kunnen zijn in de uitvoering dan wij op dit moment met elkaar denken.
Mevrouw Karaaslan-Kilic (D66):
Goed, want daar gaat eigenlijk ook mijn vraag aan de minister over.
Het is dus belangrijk dat er duidelijkheid komt over verantwoordelijkheden en goed toezicht, met name tussen de verschillende partijen pbo, NLPO en het Commissariaat voor de Media. Stel dat een lokale publieke omroep aan alle verantwoordingseisen voldoet, maar er intern sprake is van slecht bestuur, waardoor de journalistieke onafhankelijkheid onder druk staat. Het pbo signaleert dat en trekt aan de bel bij de NLPO. Heeft laatstgenoemde hier een bemiddelende of ondersteunende rol? Of heeft de NLPO ook een verantwoordelijkheid om daadwerkelijk op te treden? Dat is ons niet heel duidelijk geworden in de stukken. Hoe voorkomt deze wet dat er tussen intern bestuur en extern toezicht een toezichtsgat ontstaat?
De minister heeft aangegeven dat er duidelijkheid moet komen over het toezicht op de NLPO en de lokale omroepen. Daarbij speelt het Commissariaat voor de Media een belangrijke rol bij de uitwerking van een toezichtsarrangement. Kan de minister toelichten hoe ervoor wordt gezorgd dat in de praktijk duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is, dat goede samenwerking wordt bevorderd en dat tijdig knelpunten worden opgelost?
Mijn fractie vindt het belangrijk dat we bekijken of het nieuwe stelsel in de praktijk goed werkt. Is de minister bereid om bij de evaluatie ook aandacht te besteden aan het toezicht, de verdeling van verantwoordelijkheden en de samenwerking tussen betrokken partijen? Kan zij ook toezeggen de Kamer hierover te informeren, zodat er indien nodig tijdig kan worden bijgestuurd?
Tot slot, voorzitter. D66 wil sterke, professionele en onafhankelijke lokale omroepen. Een succesvol stelsel laat zich echter niet alleen meten aan het aantal omroepen, de omvang van de budgetten of de kwaliteit van het toezicht. Het moet uiteindelijk zichtbaar zijn in het dagelijks leven van mensen. Herkent iemand zijn dorp, wijk of gemeente nog in het nieuws? Worden ook kleine gemeenschappen gehoord? Is er een journalist die in de raadszaal zit en die doorvraagt en verslag doet wanneer besluiten rechtstreeks ingrijpen in het leven van inwoners? Democratische betrokkenheid begint met weten wat er speelt. Iedereen moet, waar hij ook woont, in een dorp, in een stad of op het platteland, toegang hebben tot betrouwbare informatie over de eigen omgeving.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer De Vries. Hij spreekt namens de SGP.